't Werd koud .... motregen druppelde neer op de arme dieren. Zo nu en dan liep de wind door het bos en dan vielen de fijne regendruppeltjes van de bomen af....
Alle dieren liepen met opgetrokken schouders en met hun hoofd naar de grond. De apen, die aan verwarmde kooien gewend waren, huiverden van de nachtelijke koude.
Zoals Vlens verwacht had, kwamen ze niemand meer tegen, maar het leek zo ver.... zo ver.... veel verder dan de heenreis.
Vlens was dolblij toen ze in de verte de Amersfoortschestraatweg weer zagen liggen. Een waterig zonnetje kwam boven de kim kijken.... maar je had er niks an, want het gaf geen warmte.
Vlens ging weer midden op de straatweg staan en langzaam trok de hele stoet over de weg.
Het waren nu allemaal dieren, die Vlens kenden. De vreemden, die er onderweg bijgekomen waren, hadden hun eigen huizen weer opgezocht.
Och, och.... wat een plezier was dat, toen van-
uit het struikgewas het orkest van de krekels en de sprinkhanen te voorschijn kwam. Direct werd een vrolijke mars gespeeld en nu ging het weer veel beter.
Opgewekt wandelden de dieren voort. Ze hadden weer moed gekregen voor het laatste eind en ze voelden de pijn niet meer aan hun voeten, want een tocht naar het eind van de wereld is, zelfs voor een haas, die toch zo goed lopen kan, geen kleinigheid.
Olke en Bolke liepen steeds maar naast elkaar. Ze zeiden niet veel, want Olke was doodmoe. Ze had de vorige avond tot twaalf uur in het circus kunstjes moeten doen en toen had ze twee uur geslapen .... waarna haar broertje haar gewekt had. Je begrijpt dus, hoe slaperig ze was.
Bolke vertelde haar in het kort hoe hij gevlucht was, hoe hij Buizer had gevonden.
Hij vertelde van z'n avontuur met de bijen en hij vertelde van zijn huis, dat hij gehuurd had bij de week, van Vrouw Wilde Eend.
Olke kon het zich allemaal niet goed voorstellen, maar ze luisterde aandachtig.... en nu Bolke alles verteld had, waren ze stil. Maar dat nam niet weg, dat ze vreselijk blij waren allebei. Want Olke had het niets lief gevonden van haar broertje, dat hij alleen gevlucht was, zonder haar mee te nemen.
Maar nu was ze dan toch ook vrij.
Ze kon nog maar niet geloven, dat vijf-en-dertig-duizend tweehonderdtwee-en-zeventig dieren helemaal voor háár plezier naar het eind van de wereld waren gelopen.
Plotseling hoorde Bolke achter zich een brommerige stem. Het was een stem, die hij zich nog goed herinnerde van vroeger.
‘Als Olke moe is,’ zei Jokko, de muilezel, ‘dan kan ze wel op mijn rug zitten. Ik ben niet zo.’
‘Hoe bedoel je dat, Jokko?’ vroeg Bolke.
‘Ik ben een ezel van weinig woorden,’ zei Jokko. ‘Klim d'r maar op, Olke.’
Olke deed dat heel graag en toen ze op de rug van Jokko zat, viel ze onmiddellijk in slaap.
‘Dat had die muilezel mij wel eens kunnen aanbieden,’ zei de vrouw van Vlens.
‘Jij bent ook zo gauw op je teentjes getrapt,’ antwoordde de vos. ‘Dat Bommeldrommelinnetje heeft het veel meer nodig dan jij. Geef me maar een arm. Dan gaat het beter.’
‘Dank je wel,’ zei de vrouw van Vlens, ‘ik zal je liever bij je staart vasthouden, dan kun je me trekken.’
‘Nee dat gaat niet,’ zei Vlens boos ‘Ik sla een figuur als modder. Ik dank je.’
Het orkest zette een nieuwe mars in en toen
klonk van boven uit de lucht een krakerige stem: ‘'t Is goed, dat ik niet meegegaan ben, want nou hebben jullie tenminste je bos teruggevonden.’ Daar vloog de kraai, die thuisgebleven was.
Niemand gaf antwoord, want op zulke domheden.... daar kan je geen antwoord op bedenken.
Daar kwamen de bekende bomen in zicht. Vlens had nog een plechtige toespraak willen houden op de hertenwei. Hij had Olke willen verwelkomen in haar nieuwe woonplaats. Hij had alle dieren willen bedanken voor hun hulp, maar niemand had er zin in. De meesten liepen al half te slapen en ieder verlangde naar zijn bed.
Maar de moeilijkheden begonnen pas. Waar moest Jokko heen? Wat moest er met de drie apen gebeuren?
Jokko was veel te groot voor een van de holen of huizen van het bos en de apen waren ook al zo groot van stuk.
‘Het spijt me erg, Jokko,’ zei Vlens, ‘maar ik weet werkelijk niet, waar jij moet logeren.’
‘Ik wil helemaal niet loozjeren,’ zei Jokko. ‘Ik ga slapen. Is hier nergens een stal in de buurt?’
‘Ja, die is er wel,’ zei Vlens, ‘maar dat is de stal van den rijken man en als je daar in gaat, dan
maken ze je vast en dan ben je weer net zover als bij het circus.’
‘Dan zal ik mijn eigen weg wel zoeken,’ antwoordde Jokko. ‘Maak je over mij maar niet bezorgd. Ik ben een zwerver en ik ben het slecht gewend. Ik vind wel een plekje.’
Een van de vrouwen van de hazen wilde Jokko een flanelletje meegeven, maar de muilezel dankte vriendelijk. Zo'n ding was toch veel te klein voor hem.
De apen gingen mee met Bolke. Ze moesten maar eens zien, hoeveel er in dat hol konden. Olke liep naast Bolke en ze wreef steeds maar in haar ogen van de slaap.
Zo kwamen ze bij de beek. Bolke zocht de waterjas en leerde de apen en z'n zusje hoe ze daarmee door de beek konden waden.
Het werd een passen en meten. Eerst ging natuurlijk Olke en toen de moeder- en de vaderaap en toen de jonge aap en toen.... toen niets meer, want Bolke kon er niet meer bij. Hij kon z'n eigen huis niet in. De deur was versperd door poten en staarten.
‘Hela,’ riep Bolke, die in z'n waterjas voor z'n eigen deur stond. ‘Hela, ik wou d'r ook nog in. Schik es een beetje op.’
Snorken.... snorken.... dat was alles wat
Bolke hoorde. Z'n zuster en de drie apen sliepen al en ze hoorden Bolke niet eens meer.
Toen nam Bolke een kloek besluit en hij ging terug naar de oever, stopte z'n waterjas weer onder het struikgewas en wandelde naar Buizer.
Bij Buizer was natuurlijk al alles in diepe rust, maar toen Bolke een hele tijd geklopt had, kwam Buizer zelf hem opendoen. Buizer had een slaapmuts op en een lange nachtjapon aan want zijn eigen pyama was in de was.
‘Kan ik misschien bij jullie slapen?’ vroeg Bolke. ‘Want m'n huis is verstopt. Het is vol.’
‘Ik heb geen bed meer over,’ zei Buizer, ‘maar als je op de grond wilt liggen, op een hoop wortelloof, dan vind ik het best.’
‘Dat moet dan maar,’ antwoordde Bolke.
Buizer liet hem in de huiskamer en ging meteen zelf weer naar bed.
In de hoek lag een grote hoop wortelloof. Bolke ging er naar toe, trok een oude deken over zich heen en toen zag hij ineens de kast.
‘In die kast staat een pot honing,’ bromde Bolke in zichzelf. ‘Rustig laten staan, Bolke. Wegnemen is lelijk.’
‘Ja,’ bromde hij toen weer, ‘maar als ik het nou eens in m'n slaap doe? Dan kan ik er niks an doen. Dan is 't mijn schuld niet.’
Dat leek wel goed. Bolke ging languit op het wortelloof liggen en begon te snorken.
‘Ziezo, nou slaap ik,’ zei Bolke, ‘en nou ga ik in m'n slaap een hapje honing halen.’
Hij stond op, liep naar de kast, deed de deur open, strekte z'n poot uit.... maar toen stootte hij tegen iets aan....
't Was glas.... 't viel rinkelend op de grond... en toen was 't kapot.... in scherven!
Drie tellen later ging de deur van de slaapkamer open en daar stond Buizer met een woedend gezicht.
‘Dat vind ik lelijk van je, Bolke,’ zei Buizer en hij meende het.
‘Ikikikik....’ stotterde Bolke, ‘ik deed het in m'n slaap. Ik wist het niet....’
Zonder een woord te zeggen, liep Buizer naar de kast, nam de pot honing eruit en verdween met de pot honing in zijn slaapkamer.
Bolke zuchtte, strekte zich voor de tweede maal uit op het wortelloof en sliep spoedig in.
Een paar minuten later droomde hij al.
Hoe was het intussen met Jokko gegaan? Dat zal ik je even vertellen.
Jokko was in het bos een van de wilde zwijnen tegengekomen, dat meegeweest was naar het einde van de wereld. Het dier had nog even een praatje
gemaakt met een kennis en daardoor was het een beetje later dan de anderen.
‘Hallo,’ zei Jokko, ‘kunt u mij misschien ook zeggen, waar ik hier in de buurt een tukje kan doen?’
‘Ga maar mee,’ zei het wilde zwijn. ‘Ik weet midden in het bos een oude hut, waar ze vroeger allerlei gereedschappen bewaard hebben. Dat ding wordt sinds jaren niet meer gebruikt. En als we d'r in kunnen komen, dan kun je daar heerlijk slapen. Loop maar even mee.’
Dat deed Jokko en na een kwartiertje bereikten ze de hut, die midden in een dennenbosje lag. Het was een oud ding.... de muren stonden scheef en het dak was helemaal begroeid met mos. Maar het wàs tenminste een dak en dat vond Jokko allang mooi.
Met veel moeite morrelden ze de deur los, maar toen Jokko naar binnen ging, sprong er plotseling iets zwarts, iets donkers uit de hoek van de hut. Het wilde zwijn schrok, maar Jokko niet. Hij schrok nooit ergens van.
‘Wie ben je?’ vroeg Jokko.
‘Kasssssch,’ siste het zwarte beest.
‘Mag ik hier een beetje komen slapen?’ vroeg Jokko.
‘Wie ben jij?’ vroeg het zwarte beest.
‘Ik ben een onschuldige muilezel,’ zei Jokko. ‘Ik doe niemand kwaad. Maar wat ben jij nu eigenlijk voor eentje?’
‘Ik ben een wilde kat,’ zei het zwarte beest, ‘en als je me geen kwaad zult doen, dan mag je wel binnenkomen.’
Jokko bedankte het wilde zwijn en toen deze heer de hut verliet, hoorde hij Jokko en de wilde kat in druk gesprek.
Jokko werd al spoedig goede maatjes met de kat maar daar vertel ik later verder over.
Ze gaan nu allemaal slapen en wie nog niet slaapt, die dommelt toch al. Morgen kijken we weer verder.