[p. 43]
[Ding, dong, dut,]
D
ING, dong, dut,
Poesje in de put;
Wie gooide haar erin?
Jantje Jollin,
Wie haalde haar eruit?
Pietje Polluit.
O, wat een stoute jongen, die Jan,
Dat hij een poes zoo plagen kan;
O, wat een goede jongen die Piet,
Dat hij poes in het putje niet liet.