[p. 53]
[A Appeltaartjes;]
A
APPELTAARTJES;
B beet er in
C Christientje,
D Dora
E eten ervan.
F Frederik,
G geeft ze,
H heeft ze,
J Johannes
K kaapt ze;
L leent ze
M Maria
N neemt ze
O opent ze.
P praat erover;
Q Quirinus
R raapt ze op
S Steelt er een
T telt ze
U Ukeltje
V vraagt erom.
W weg er mee!
X Y Z komen te laat,
Weg is weg, wie schaft er raad?