
OP een goeden dag vond een oud vrouwtje, juist toen ze klaar was haar huisje te vegen, een fonkelnieuw kwartje. Wat zal ik met dat kwartje doen, dacht ze! Wacht - ik ga naar de markt en koop er een biggetje voor. Toen ze met het biggetje van de markt terugkwam, was het hek van het weiland dicht en het biggetje wilde er niet overheen klimmen.
Juist kwam er een hond aan en het oude vrouwtje zei:

Maar de hond wou niet bijten.
Toen ze wat verder liep, kwam ze een stok tegen. En ze zei:

Maar de stok wou niet slaan.
Nog liep ze wat verder en kwam voorbij een vuur. En ze zei:

Maar het vuur wilde niet branden.
Nog liep ze wat door, tot ze bij een beek kwam.

En weer begon ze:
‘Neen,’ zei het water.
Daar kwam juist een stier aan en ze riep:

Maar de stier wilde niet drinken.
Weer liep ze verder, tot ze een slager ontmoette.

Maar de slager wilde niet dooden.
Een klein eindje verder zag ze een touw aan een dikken tak hangen. En weer begon ze:

Maar het touw wilde niets doen.
Toen kwam er een rat aangeloopen en gauw riep ze:
Maar de rat wilde niet knagen.
‘Miauw! Miauw!’ Daar kwam een kat aan. En weer begon het vrouwtje:


En de kat zei: ‘Voor een schoteltje lekkere warme melk wil ik de rat wel dooden.’
En de oude vrouw haalde gauw, gauw een schoteltje melk. En
En zoo kwam de oude vrouw dien avond thuis.
