[p. 88]
[Onze Moeder de Gans,]
NZE Moeder de Gans,
In pijlsnelle vlucht,
Reeds soms dagen aanéén
Op haar gans door de lucht.
Met haar punthoed zoo zwart
En haar mantel zoo rood
Was zij alom bekend,
Zoo bij klein als bij groot.
Waar ze kwam, was plezier
En gejuich en gelach
Klonk alom in het rond
Als van ver men haar zag.
‘Kinders’, riep ze dan vroolijk,
Zoo hard ze maar kon,
Blijf een oogenblik staan
Tot ik bij jullie kom.
En dan daalde ze neer
Met haar gans op den grond,
Waar een heel troepje kindren
Te wachten reeds stond.
Ja, die gans was haar trots;
Het gebeurde op een dag,
Dat ze 's morgens bij 't opstaan
Iets schitteren zag.
[p. 89]
[p. 91]
't Was een ei, héél van goud
En het woog wel een pond;
Je begrijpt, 't was een vreugd,
Toen het oudje dat vond!
Wat te doen met die schat!...
't Was een vraag van belang -
En ze peinsde en dacht
Wel een heele week lang.
En ze vroeg ook wel raad
Aan den ouden pastoor
En de vrouw van den schout,
Want die wisten het, hoor!
Maar toch deed ze niet graag
Wat de een haar al ried:
‘Wel, verkoop toch dat ei -’
Neen, dat wilde ze niet.
En de ander zei: ‘Hoort eens,
Geef mij nu dat ei,
Die gans legt er vast nog
Wel een voor je bij.’
Toen zei moeder Punthoed
Heel vriendelijk: ‘Neen,
Ik zorg voor mijn zaakjes
Toch liever alleen.
[p. 92]
Ik zoek gauw mijn gans op;
Die oolijke guit
Broeit als ik het vraag
Vast mijn eitje wel uit.
Dan komen er kuikens
Van 't zuiverste goud
En word ik wel tweemaal
Zoo rijk als de schout!
Dat is vast wel jaren
Geleden nu reeds,
Maar op 't gouden kuiken
Wacht moeder nog steeds.