bij de duitsers op corsica (1961) Een zomer als de zojuist afgelopene brengt de mensen tot fatalisme. Op een klam bed voor het raam liggen luisteren naar het vallen van water. Elke kiem van activiteit verstikt door een tapijt van schimmel voordat er ontwikkeling optreedt.
Münchhausen blijkt dan toch niet zo dwaas; men kán zich werkelijk aan zich zelf ophijsen uit het moeras. Maar ik was deze zomer wel een beetje laat met het besluit om toch nog actief de zon op te gaan zoeken. Vandaar dat ik zonder meer gretig het advies aanvaardde van een vriendin, die me altijd al had geïntrigeerd door haar gebruindheid die tot op de nippeltjes doorliep. We zouden gaan naar een zeer afgelegen strandje op Corsica, van elke toegangsweg geïsoleerd door tientallen kilometers maquis, met een beek, een bron, een groot bos, bijna geen mensen. Er was maar één maar bij, zei de vriendin aarzelend, die paar mensen die er verbleven waren naakt, althans als het weer dat toeliet, dus meestal. Erger leek me dat deze naakten grotendeels Duits spraken.
Elk reisbegin is een genot. Een toevallige reiger of soms zelfs een lepelaar, gezien door het raampje van de coupé, lijkt de voorbode van grote ontdekkingen. Voorbij Haarlem beginnen de blaarkoppen, grote zwarte koeien met een wit gezicht, ouderwetse weesmeisjes op zondag. Ik moet nog eens iets aan de zoögeografie van de huisdieren doen. Het zou aanwijzingen kunnen geven over de merkwaardige verspreiding van genialiteit en daarmee misschien iets zeggen over de aard van genialiteit.
De naaktheid went wel, had de vriendin gezegd. Maar er viel niets te wennen. Men kleedde zich uit en zwom en zonde alsof het altijd zo had gehoord. Het enige vreemde was als je, nog gekleed, werd voorgesteld. Bij de heren schudde er dan iets slungeligs van nee, terwijl de dames dubbelop ja knikten.
Vooral de dames gedragen zich overigens alsof ze eigenlijk bezig zijn een taboe te overtreden. Niet als we onder ons zijn, maar het kijvend alarm over de vieze kerels, de indringers, de voyeurs, elke keer als een gekleed man zich per ongeluk op dit openbare strand waagt, geeft te denken.
Alle nette, naakte Duitse dames haalden met instemming de woorden van de prefect (of zo'n soort gebieder) van Corsica aan: het Corsicaanse bandietisme was nu uitgeroeid, binnenkort zouden ook de brandstichters zijn verdwenen. Nietwaar, deze domme Corsicanen branden overal de maquis weg omdat er dan in de regentijd een klein
beetje gras opkomt dat door de geiten of schapen gegeten kan worden. Zo dom, omdat daardoor de erosie in de hand gewerkt wordt en daarmee de chronische droogte, de armoe, de geiten en schapenteelt etc.
Het klinkt een beetje alsof men de vroegere Zuiderzeevissers toen zou hebben verweten dat ze maar doorgingen met hun bot-, haring- en ansjovisvangst, terwijl de bodem van hun zeetje toch zo bijzonder vruchtbaar zou kunnen zijn als men maar het water er boven weghaalde.
Deze vergelijking is niet onzinnig. De bodem van de Zuiderzee kon pas in cultuur gebracht worden nadat de regering honderden miljoenen (het zullen wel miljarden zijn geweest) aan dijken en droogleggingen had uitgegeven.
De Corsicaanse maquis kan pas iets gaan opleveren als de Franse regering kapitaal en deskundigheid ter beschikking stelt om er iets van te maken. Want door een verbod van brandstichtingen alleen bereikt men niets. De toch al armoedige bevolking heeft dan geen enkele bron van inkomsten meer, de maquis groeit hoger op en zal binnen 20-30 jaar misschien wel een aardig bos geworden zijn. Misschien dat dan een kleine verbetering in het klimaat zal optreden, meer vocht, in ieder geval zal de bodem met meer humus bedekt zijn. Misschien dat men dan onder deskundige leiding hier en daar percelen kan openhakken voor de een of andere landbouw, heel voorzichtig omdat anders de humuslaag zo weer verdwenen is.
Goed, over 20-30 jaar is het mogelijk om op deskundige wijze landbouw in deze dorre streken te beoefenen, tot die tijd moet de bevolking van nu het doen met een verbod van de prefect en de schampere woorden van de Duitse dames. Er is trouwens grote kans dat de deskundigen in eerste instantie besluiten zullen om toch van tijd tot tijd maar maquis te verbranden. Dat gebeurt zelfs in ons aan deskundigheid zatgevreten Holland hier en daar met de hei.
Op vele plaatsen verandert de maquisbrand nl. niets aan de statusquo. De oude struiken verbranden, uit de as komen bij de eerstvolgende regen de jonge spruiten, binnen een paar jaar is de maquis hersteld, alleen kan men aan dode, verkoolde takken nog zien dat er niet zo lang geleden vuur geweest is. Erosie-verschijnselen ziet men betrekkelijk weinig, voornamelijk daar waar ten bate van de naaktlopers een zeer onoordeelkundig geplande weg is aangelegd.
Alles bij elkaar geloof ik dat de Corsicaanse herders met hun brand-
stichting veel minder schade doen dan b.v. de gemeente Amsterdam, die zonder meer het huisvuil van haar bijna miljoen inwoners verbrandt. Den Haag en enkele kleine moderne steden hebben tijdig ingezien dat consequente vuilverbranding een dreigend gevaar oplevert aan humusverlies van onze bodem. Dank zij een simpel procédé ontstaat uit de geweldige hoeveelheid afval die de welvaartmens achterlaat vruchtbare humus.
Alle deskundigen zijn het er over eens dat Holland gevaar loopt humus te verliezen. Toch heeft men in Amsterdam, dat een leeuwendeel aan humus zou kunnen produceren, hiervan afgezien omdat... wel, politiek en deskundigheid staan zelden met elkaar op goede voet.
Ik wou maar zeggen dat men de Corsicanen, die voor hun directe levensbehoeften bezig zijn, in hun onderontwikkeldheid niets hoeft te verwijten.
Dat wil niet elk onoordeelkundig gebruik van de bodem goedpraten. Er zijn plaatsen o.a. in Spanje, waar men zelfs de kleinste struikjes met wortel en tak uit de grond rukt om de bakkersovens te stoken. Daar ziet men inderdaad het skelet van de grond te voorschijn komen. Maar ook daar kan men de meestal arme bewoners niets verwijten. Zolang de regeringen geen geld en deskundigen ter beschikking stellen, worden de mensen wel gedwongen om met minder deskundige, eventueel roofbouwmethoden hun bestaan te rekken.
Er is nog iets wat ongelooflijk irritant klinkt uit de mond van dikke, luierende naakte mensen: de Corsicanen zijn zo lui. Dat heb ik tot nog toe van elk zuidelijk of oosters volle gehoord: ze zijn zo lui, ze zijn onbetrouwbaar (nooit op tijd etc.), ze zijn vies, ze kunnen met weinig toe.
Behalve de Duitsers misschien, wier energie we reeds lang met argwaan bezien, blijkt geen enkel volk in een warm klimaat zo hard te kunnen werken als wij het op onze gematigde breedten heten te doen.
De Hollandse kolonies in de West en nu nog steeds op Nieuw-Guinea hebben zich nooit tot bloei kunnen ontwikkelen bij gebrek aan voldoende (goedkope) inheemse arbeidskrachten. De arbeidskracht van de blanken is blijkbaar in een tropisch land ook niet meer wat ze zou moeten zijn. Toch hoort men het elke oud-Indischgast zeggen: de Javanen zijn een goedaardig maar lui volk. Een Hollandse consul in een Spaanse plaats vertelde me: de Spanjaarden zijn een lui en onbetrouwbaar slag, men moet ze uit de hoogte behandelen, anders maken ze grapjes met je.
En nu dus weer die naakte dames en heren op het strand van Corsica.
Er was nog iemand waar men regelmatig kwaad van sprak. Een dennenbos dat tot aan het strand doorloopt, aangrenzend aan het naturistenstrandje, behoort aan een gravin. Als wachter was daarvoor aangesteld een verlopen graaf, die niets anders te doen had dan er te zijn en naturisten op hun territorium te laten blijven. Een oude magere man, met een Frans dametjesgezicht en bijpassende gebaartjes.
We zijn de eerste dag bij hem op bezoek geweest. Op een open plek in de schaduw van de lage kromme dennen stond zijn hut, een samenstel van planken, zakken en blikken. Aan de bomen in de omgeving hingen speeltuigen voor een tamme bonte kraai.
Bij het vertellen van mooi bedoelde verhalen (ik zeg niet dat ze niet mooi waren, maar wel dat ze speciaal zo bedoeld waren) zwaaide hij met zijn smalle vogelhoofd, waarin de ogen groot open stonden, terwijl zijn benige kleine handen als vleugeltjes rond zwabberden.
De kraai zat op zijn schouder of hupte rond en gapte koekjes die hij in de grond stopte. Soms spoog hij wat in het oor van de graaf, zoals kraaien bij hun verloofde of jongen in de bek doen. Tegen ons was hij afwerend en pikkerig alsof hij jaloers was.
Een paar dagen later werd de kraai doodgeschoten door toevallig passerende jagers. De graaf was getroebleerd. Ik kon me zo goed voorstellen de haat van Léautaud tegen alle jagers, zijn plezier als hij in de krant las over jagers die zich bij schoonmaken van hun geweer dodelijk verwondden.
Er wordt in Frankrijk zo stompzinnig geschoten. Een kraai is oneetbaar, we zagen ook dat men schoot op een heel klein oeverlopertje. De weinige vogels die nog over zijn blijven ongewoon schuw. Merels die bij ons open in de bomen zingen en op straat rondvliegen, vluchten daar als ratten tussen de takken. Eén houtduif zag ik, razendsnel vliegend of hij aan alle kanten blootstond aan vernietiging.