21 april 1963. Stel, ik beleef iets. Beleven is het opnemen van de verschillende eigenschappen van een gebeurtenis door de zintuigen. In code worden die indrukken doorgegeven aan de hersens. Alle binnenkomende berichten worden door verschillende zeven geleid. Elke zeef haalt het zijne eruit en slaat dit op in speciale vakjes. Elke belevenis wordt op deze manier opgeslagen in vele verschillende hersenlagen. Er moet ook een centraal celletje zijn dat de verbindingen weet tussen de verspreide deeltjes. Of misschien is er geen centraal celletje per herinnering, is er alleen een soort spinneweb dat leidt van de geuren naar de vorm, naar de kleur, naar de stemming, naar andere spinnewebben die reeds aanwezig waren vóórdat deze belevenis plaatsvond, of die later ontstonden.
Het spinneweb is gespannen, lijkt na korte tijd verdwenen in de gewatteerdheid die miljoenen spinnewebben over en door elkaar heen lijken. Maar een geurindruk of een toevallig samenvallen van twee zelden samenvallende woorden of indrukken elektriseert het spinneweb, dat plotseling oplicht alsof er nooit stof op gevallen is. Op die manier lijken de hersens een schatkamer en vaak ben ik ervan overtuigd dat het zo is.
Stukjes herinnering worden niet zo maar in een willekeurig hersencelletje of groepje hersencellen opgeslagen. Wanneer het waar is dat de hersens eerst in onderdelen ontleden en die onderdelen stuk voor stuk opslaan, is het waarschijnlijk dat er voor elk soort indruk een vaststaande herinneringscel is.
Wanneer een indruk door de hersens ontleed wordt in de factoren a, b en c, moeten die, om ooit herinnerd te kunnen worden, opgeslagen worden in hersencellen die een soort gepreformeerde geschiktheid hebben om respectievelijk de indrukken a, b en c in de een of andere code op te slaan. Het is onvoorstelbaar dat de factor a van al die miljarden hersencellen de cel a uit zou kiezen, als a volstrekt willekeurig was, tenminste als men denkt aan de herinnerbaarheid, het weer terug kunnen vinden van de factor a. Bij een eiersorteermachine
vallen de nullen niet in willekeurige vakjes, maar in die van de nullen, de enen in die van de enen, de tweeën etc. Alleen dat is te sorteren waarvoor de aparte vakjes gereed staan.
Dat betekent dat men door beleven en herinneringen opslaan bezig is met het ontdekken van de eigen hersens. Elke nieuwe belevenis hangt voor een deel samen met vroegere ervaringen, maar zal toch ook voor een deel inderdaad nieuw zijn, waarvoor nog niet gebruikte, maar wel gereed staande hersencellen zullen worden ingeschakeld.
Men kan dus alleen beleven wat een voorbestemde plaats heeft in de hersens. Beleven is het bladeren in een gedrukt boekje waar niets aan toe te voegen valt. Wie geen cellen heeft voor groen is kleurenblind. Er zijn vele blindheden. Maar er zijn ook vele hersengebieden die bij gebrek aan belevenis tot aan het eind onontdekt blijven.
Het lijkt me een biologisch-mechanische plicht om zoveel mogelijk witte gebieden van mijn hersens te ontdekken (ook de landen die wit op de kaart stonden waren niet werkelijk leeg).
4 mei 1963. El Hacedor van Borges, vertaald als Borges und Ich. Het eerste verhaal is eigenlijk een soort dagboeknotitie over het weer opdoemen van herinneringen terwijl hij langzaam het licht van zijn ogen verliest.
Er is een grote overeenkomst, bij de meest uiteenlopende schrijvers, in de directe weergave van herinneringen. Niet het echte vertellen, maar het bijna wetenschappelijk noteren van wat - meestal maar in korte episoden - op het beeldscherm van de herinnering is te zien. Er zijn van die kleine stukken pure herinnering bij Tsjechov, Stendhal (heel veel), Léautaud, Renard, Nescio (vooral in Boven het Dal), Du Perron (o.a. het visioen van Tjitjoeroeg, zoals hij het op zijn 5de jaar had gekend, dat hem in snikken doet uitbarsten).
Een zelfde overeenkomst vindt men in genoteerde echte dromen. Het valt ook direct op wanneer herinnering of droom echt zijn of gefantaseerd, of wanneer eraan verfraaid of - tegenwoordig - interessant aan verluguberd is.
Voor mij is deze stijlverwantschap in weergegeven herinneringen en dromen parallel met de grote overeenkomst in stijl tussen de meest uiteenlopende echte dierschilders.
De grottentekeningen van Zuid-Frankrijk, Spanje, Noord- en Zuid-Afrika hebben stijlkenmerken gemeen met diertekeningen van
Timmer, Chinezen, Japanners, schetsen van dierpsychologen (vooral de ethologen).
Door de aanwezigheid van de laatsten komt men op een mogelijke verklaring: de weergave is niet een verfraaid of anderszins vervormd portret, maar een kunstloos exacte weergave van een herinneringsbeeld.
Het kunstloze zou natuurlijk ook van toepassing kunnen zijn op een goed journalistiek verslag van gebeurtenissen maar wanneer men direct voor de werkelijkheid staat, zijn er zoveel indrukken dat alleen een getraind kunstenaar of verslaggever er een beeld aan zou kunnen onttrekken. Maar dat beeld bevat dan alle kenmerken van de kneepjes van vakmanschap, van mode, van vooringenomenheid. Voor de niet-kunstenaar ligt de enige kans in de herinnering en in de droom en in het zo fantasieloos mogelijk vertellen daarvan.