2 augustus 1964. Zondag. Zoveel herinneringen rondom de dag der bevrijding. Eén van de vrolijkste was enkele dagen later. Op de eerste verdieping beneden ons woonde mijn oom de slager. Met zijn vrouw had hij tot de eerste leden van de nsb behoord en ook toen het fout ging was hij erbij gebleven. Het zou trouwens weinig geholpen hebben als ze er wel bij weg waren gegaan, ze waren te demonstratief aan de verkeerde kant geweest. Mijn oom was heel populair als slager. Toen hij na zijn kamptijd weer terugkwam, werd hij gauw weer geaccepteerd door de klanten. Dat kwam ook wel doordat zijn vrouw langer in het kamp gehouden werd. Zij was veel fanatieker geweest, had waarschijnlijk ook functies bekleed. In ieder geval was zij bij de buurt gehaat. Toen de dag na de bevrijding mijn oom werd opgepikt, en zij achter gesloten gordijnen mocht blijven, schijnt een van de buren de politie te hebben opgebeld en te hebben gezegd dat zij veel erger was dan haar man. In ieder geval werd zij enkele dagen later ook opgepikt. Hun woning en de winkel daaronder lagen onbewaakt. Het was meen ik op een zondag. Mijn grootvader had als huisbaas een sleutel van hun deur en we braken direct in. In de keuken vonden we een groot stuk heerlijke jonge kaas. Dat was al gauw verslonden. We vonden een zak tarwe en andere voedingsmiddelen en ten slotte vonden we een mandfles vol met azijn, die ze waarschijnlijk zwart verhandelden. Hoewel we nooit erg nijdig op mijn oom en tante waren geweest, wond dit ons op. Kort tevoren was mijn moeder er in geslaagd om een heel klein kropje sla te kopen, maar zonder azijn smaakte dat zelfs in die tijd nergens naar. Ze had toen aan mijn tante gevraagd om een heel klein beetje azijn. Maar met haar snijdende, kijvende stem had die geantwoord dat ze niets in huis had.
Enfin, we roofden nu het huis leeg. Toen herinnerde ik me dat in de tijd dat mijn grootouders deze verdieping bewoonden er een directe verbinding met de winkel was geweest. Omdat we niet openlijk over straat dorsten te gaan naar de winkel, braken we nu een kastvloer open en drongen de winkel binnen. O ja, we hadden een wacht uitstaan voor het geval dat de politie, of althans het soort van officials dat mijn oom en tante had weggehaald, zou terugkomen voor een nader onderzoek. In de winkel was niet veel meer. We zochten nog een tijd naar de 10.000 gulden die mijn oom ergens zou hebben verborgen voor mijn grootvader, maar in plaats daarvan vonden we een Leidse kaas, zo groot als een molensteen en even hard. In mijn herinnering heeft het maanden geduurd eer we door die kaas heen waren.
Later was de winkel ons nog van groot voordeel. Mijn grootvader was officieel eigenaar van de winkel (mijn oom betaalde pacht of zo iets) en daarom werd hij uitgekozen als één van de distribueerders van de Amerikaanse voorraden reuzel, knakworst en porc. We openden de blikken en stortten de worstjes in een grote badkuip. Alles was natuurlijk geteld, maar de schoonmaakmarge of althans het percentage dat verloren mocht gaan (alsof er iets verloren ging en schoonmaken deden we alleen met de tong) was zo groot, dat we gevreten hebben. Onze voedselnood was voorbij.
Memoires en dagboeken danken hun waarde meestal aan iets buiten de auteur om (aangenomen al dat de man kan schrijven en het soort persoonlijkheid heeft waarvoor men zich interesseert). Het land van herkomst dankt zijn bestaan aan de Indische jeugd en aan de portretten van boeiende mensen (niet alleen de intellectuelen van Parijs en Holland, maar misschien nog meer de gekke ooms, tantes, vrienden). Léautauds reacties op de vele schrijvers en andere personen die hij ontmoet. Graves zegt zelf als het verslag van zijn oorlogsbelevenissen beëindigd is, dat er daarna - gelukkig - weinig meer gebeurde. Een dagboek waar ik doodziek van word, misschien omdat ik het zo vaak verwant vindt aan mijn eigen notities, is dat van Amiel. Het ronddraaien in de eigen kleine tuin, oude juffrouwen als enige spiegels rondom. De griezelige steriliteit.
Reizen, de mensen buiten ons, oorlog, andere extreme omstandigheden. Het is heel logisch dat de memoires van Vestdijk, deze uitsluitend schrijver en lezer om te schrijven, alleen maar interessant zijn zo-
lang ze portretten zijn van meer of minder boeiende schrijvers die hij ooit ontmoette. Dat boek is zelfs een mooi argument voor mijn stelling, want zodra hij dit materiaal loslaat (in het laatste hoofdstuk) komt er een onbegrijpelijk slap stukje fantasie dat in geen verhouding staat tot het voorgaande.
Prof. Docters van Leeuwen, wiens dood ik nog steeds betreur, maakte eens op college een Duits onderzoeker belachelijk, die maandenlang bezig was geweest met het wegen van bladeren om de zoveel tijd, in de schaduw van het bos en in de open zon. De conclusie van het vele werk was dat de verdamping in de open zon sneller plaats vond dan in de schaduw. Oom Doc moest daarom lachen, want dat wisten de baboes al eeuwen lang, waarom zouden ze anders de was te drogen hangen in de zon en niet in de schaduw? Toch had Oom Doc ongelijk. Pas door het - bijzonder oninteressante - onderzoek van de Duitser wist men zeker en tot in welke proportie er verband is tussen zon of schaduw en verdamping. En baboes staan er om bekend dat ze eeuwenlang foute gewoontes in ere kunnen houden.
Maar aan de andere kant had hij gelijk. De wetenschap van de Duitser was goed om bijgezet te worden, in druk zelfs, bij de miljard zoveel andere dorre mededelingen die de wetenschap vergaart. Oom Doc zelf hield zich bezig met de vreemde samenlevingen en samenwerkingen tussen plant en dier, zoals men bij gallen en galinsekten, Loranthaceeën en bepaalde vogels, mieren en mierenplanten, insektebloemen en bloeminsekten kan vinden. Alles wat hij daarover vond was een boeiend verhaal apart, waarbij men iets van de verbazing kon voelen voor de wonderen der natuur. Ook al was Oom Doc niet één van de Einsteins van de biologie, hij is een van de weinigen wiens wetenschappelijke artikelen gelezen kunnen worden door niet al te domme leken, en met de genoemde verwondering.