terug  begin  verderprepost

[XVIII]

Ik zie in het Parool een artikel over Dolle Dinsdag en moet terugdenken aan die dag, 20 jaar geleden.

Ik was op aandringen van Ds. K. naar Groningen gegaan om aardappelen te rooien.

Mijn moeder was heel christelijk in de oorlog en de dominee was trouwens een nobel man. Ik had catechisatie bij hem, maar had niet het minste contact met hem door de strakke, aristocratische buitenkant die hij de buitenwereld toonde. Maar ik bewonderde hem wel. Ik herinner me een preek, de zondag nadat zijn 16-17 jaar oude zoon terechtgesteld was door de Duitsers wegens het vervoeren van wapens. De kleine kerk aan de Van Swindenstraat was stampvol. Dat klinkt alsof we uit sensatiezucht kwamen. Niets is onvermengd, maar er was stellig bij velen de behoefte en de hoop dat déze man de woorden zou kunnen vinden die ook anderen zouden troosten. Waarom ik zelf ging weet ik niet. Ik bewonderde hem, zoals ik nu nog een dier kan bewonderen. Van formuleerbare geestelijke waarden was daarbij geen sprake.

Ik herinner me alleen - of heeft mijn moeder me dat verteld nadat ze hem in kleiner gezelschap gesproken had? - dat hij zijn dode zoon moest afhalen en dat hij het lichaam centimeter voor centimeter heeft onderzocht of er geen martelingen op hem waren uitgevoerd. Dat was niet het geval.

Er is een soort stilstand van begrip in mij voor deze situaties, zoals wanneer ik lees dat 17 à 18 jarige oud-ajc'ers na het rondbrengen van

[p. 44]

illegale krantjes, na uitvoerig proces en laatste brief werden doodgeschoten. En dat zijn dan nog de gewone risico's van de oorlog. Wanneer ik per ongeluk iets lees over de vernietiging van de joden, heb ik nu nog het gevoel alsof de werkelijkheid een dun vlies is dat elk ogenblik, als we ons onvoorzichtig bewegen, kan openscheuren, en ons overlaten aan een andere werkelijkheid. Een wereld waarin we niet. geboren zijn, waaraan we niet zijn aangepast, waarin we vervallen als krankzinnigen van angst. Ik las een keer gedichten, aangeplakt op de winkeldeur van boekhandel Erasmus, geschreven door kinderen rondom de 12 jaar, gescheiden van hun ouders, wachtend op de dood.

 

6 september 1964. Zondag. Enfin, die dominee had mijn moeder aangeraden dat ik moest aardappelrooien, ik deed anders toch niets na mijn eindexamen. Later bleek dat alles wat wij rooiden prompt met treinwagonladingen naar Duitsland werd gevoerd.

Het was vreemd gespuis waartussen ik raakte. De aardigste was een oude zeeman met een dikvilten Indianenhoedje uit Peru. De leider (niet administratief, maar biologisch, de hoogste in de pikorde) was een kelner die gewoonlijk dienst deed òp de internationale treinen, maar die nu - als de meesten van ons - gedwongen werkloos was. Hij had een gezicht en een manier van spreken die bij een veel spiritueler tekst zouden hebben gepast. Hij vuilbekte van de vroege ochtend tot de late avond. Maar het moet gezegd dat ik in die tijd wel wat preuts was. Een geijkt grapje van hem was om met zijn vingers de huid van zijn knie naar elkaar te duwen, zodat er in het midden een spleetvormige plooi ontstond. Kijk, een kut, zei hij dan. Altijd met succes.

Ik had een goed kosthuis - vergeleken met de voedseltoestand thuis - bij een vriendelijke boer en diens huishoudster. We werkten geen van allen erg hard, maar ik was nog een van de langzaamsten. Niet uit luiheid maar omdat elk lichamelijk werk zonder variatie me na één of twee dagen demoraliseert, elk werk zonder variatie.

Ik schreef in die tijd sentimentele brieven over het leven en de kunst aan R.W. Het zijn w.s. die brieven waarvan hij me later zei dat hij ze had weggegooid, je kon niet alles bewaren.

Ik bloos soms nog van ergernis als ik denk aan de rustige arrogantie waarmee hij me toen bejegende, maar tijdens de oorlog waren we nog vrienden.

's Zondags tekende ik de kippen en de geit en ik wandelde met de

[p. 45]

boer langs de akkers. Er groeide ergens koningsvaren, waarvan ik maar weinig vindplaatsen ken.

Toen kwam Dolle Dinsdag en iedereen wou terug, naar Holland. Mijn boer probeerde me bij zich te houden, ik had immers goed te eten. Hij had geen personeel en zelfs mijn traagheid was voor hem nog goedkope arbeidskracht.

Maar ik wilde naar huis. Ik stelde me niets concreets voor bij de geruchten van optrekkende legers bij Breda, Dordrecht, Rotterdam, Den Haag, Haarlem, maar áls ze kwamen wilde ik niet alleen zijn.

Met zijn allen in de trein richting Zwolle. Grote vertragingen, ik geloof trouwens dat de treinen in principe helemaal niet meer op tijd gingen. We aten appels en peren die men ons had meegegeven. Er was al iemand die waarschuwde, want het fruit was nog onrijp. Ik weet niet meer in welke plaats ik een aanval kreeg van diarrhee, ik rende het station op, moest eerst ingewikkeld ergens een sleutel halen, kreeg toen het slot niet open en spoot in mijn broek. Ik reinigde me zo goed als het in de korte tijd dat de trein wachtte mogelijk was - een pater keek afkeurend toe - en toen rende ik naar mijn coupé. De schoonmaak was echter niet volledig geweest en mijn makkers weigerden mij toe te laten vanwege de stank. De trein sufte weg en ik stond alleen op een station ten noorden van de IJssel, waarvan de bruggen elk ogenblik konden worden opgeblazen.

Enfin, ik had nu de tijd om me goed schoon te maken, al had ik geen enkele hoop (slecht woord in dit verband) dat er nog een trein zou vertrekken. Er gingen wel treinen in de andere richtingen, naar Duitsland toe. Ouden van dagen, vrouwen, maar toch ook veel gezonde mannen, allemaal variaties van nsb en ss, met veel te veel koffers, stonden op de andere perrons. Eén trein werd kort na het vertrek in brand geschoten.

Na een paar uur ontdekte ik een locomotief met één wagen. Ik vroeg of hij over de IJssel ging. Ja. Geen verdere plaatsaanduiding. Ik was de enige passagier.

Hoe het verder ging weet ik niet meer precies. Uren later moest ik overstappen op een normale trein met vele, volle wagens, waarmee mijn uitzonderingspositie afbrokkelde. In de buurt van Amersfoort bloeiden de geruchten op over beschieting vanuit de lucht. Maar er gebeurde niets. Ik kwam heel gewoon aan in Amsterdam, het Damrak heel gewoon en de rest. Mijn moeder wist van niets, verwachtte

[p. 46]

niets en stortte bijna in toen ze me zag. Ik ging naar de Cineac om te zien hoe het stond met de onoverwinnelijk terugtrekkende legers van de Duitsers. Maar ik viel na een paar minuten in slaap. Het was toen trouwens toch al duidelijk dat de Bevrijding van Holland een hersenschim was geweest. Het zou nog precies 8 maanden duren.

prepostterug  begin  verder