4 oktober 1964. De asociale, kwaadaardige, t.o.v. de jodenvervolging ongelooflijk geborneerde Léautaud wordt tot op de dag van zijn dood omgeven door mensen die hem sympathie willen bewijzen. Op al die pogingen reageert hij slechts met minachting en afwijzing, maar de omstanders gaan gewoon door. Hij merkt het zelf uiteraard op (Journal deel xvii p. 302): ‘...je suis parfaitement connu comme un égoiste forcené, qui n'aime rien ni personne... et tout cela... crée un grand attrait à mon égard, fait que j'intéresse et inspire la sympathie.’
Als tegenhanger de trieste oude mensen, die hunkeren naar enige toenadering, die met allerlei lokmiddelen proberen verband te houden met de omstanders en die door iedereen verveeld in de steek worden gelaten. Het is weer een variant van het mechaniekje. Als men getrouwd is of voorzien van een vriendin, kan men met geringe moeite een andere vrouw veroveren. Staat men echter gehéél ter beschikking, dan kost een verovering veel meer moeite. De raad van H.: ‘neem
eerst een fijne maîtresse en kijk dan rustig uit naar een goede partner.’
Ik zie het allemaal als variaties op de piklijst: degene die zich kan veroorloven onverschillig of onaangenaam te zijn tegen alle anderen, wordt instinctmatig door die anderen beschouwd als de topfiguur, aan wie men onderdanig is, die men vleit, aanbidt, waarvan men alles accepteert. Dit geldt voor Léautaud nog na zijn dood, voor zijn bewonderende (maar dit woord heeft een dubbele bodem) lezers. Misschien is het dit effect dat Jan van Geelen in Litterair Paspoort laat schrijven: ‘In dit 16de deel frappeert, evenals in de drie daarvoor verschenen delen, de grote evenwichtigheid (en soms ook de ongelooflijke naïveteit) waarmee Léautaud het gehele oorlogsgebeuren beoordeelt, hij toont een te benijden incasseringsvermogen en een gevoel tot relativeren, bovenal ook een nuchterheid ten opzichte van de gedragingen van vriend en vijand zoals bij de meeste mensen in die dagen ver te zoeken was en waarvan men over het algemeen pas in deze tijd de eerste sporen kan waarnemen.’
Dat kan alleen in de ethologische zin van de piklijst zo worden gezien, want iemand die over de jodenvervolging durft te schrijven dat hij er onverschillig onder blijft, maar die opspringt om iedere misselijke collaborateur (b.v. Vanderpijl, die tijdens de bezetting een boek schreef over het jodendom in de schilderkunst) te verdedigen, is - althans op die momenten, en het vreemde is dat de meeste lezers die indruk kunnen scheiden van de overige sympathie en bewondering - een harteloze idioot.
Léautaud en de joden blijft voor mij een onoplosbaar probleem. Ik kan duizend redenen verzinnen waarom iemand van zijn leeftijd, in zijn omgeving, een antisemiet kon worden. Maar dat kan nooit het conflict oplossen tussen de sympathie die de lezer voor hem koestert en de minachting dat zijn intelligentie hem niet boven die bepalende invloeden kon heffen.
En toch staan ook weer in het 17de deel, ik zou haast zeggen juist in dit deel, stukken die tot het mooiste behoren dat men in enige literatuur kan vinden. Het meeste daarvan is herinnering, de smaak van het verloren gaan, een menselijke treurigheid die ver verwijderd is van het provinciale meepraten over politiek dat hier en daar de bladzijden verpest.
Elk deel dat uitkomt, wordt haastig door mij gekocht en in elke vrije vijf minuten achter elkaar uitgelezen. Dat betekent toch iets.
12 oktober 1964. David & Lisa een ontroerende film. De tendenz om nare ziektegevallen van lijf en geest in te voeren in literatuur en film heeft niet mijn sympathie. Er is wel in veel paranoia iets dat aan onze angsten verwant is en er soms niet van te onderscheiden. Maar ik mijd over het algemeen deze ideeën als de pest, letterlijk.
In deze film heeft een jongen een phobie tegen aanraking. De minste aanraking is aantasting, degene die het doet wil hem doodmaken.
Daar is iets in dat me zeer aanspreekt. De aantasting die van alle omstanders uitgaat.
Het meisje is schizofreen, zegt alles in rijm, kleine onhandige zinnetjes onder letterlijke rijmdwang. Dat geeft een mooi beeld van poëzie. Het meisje denkt twee personen te zijn: Muriel en Lisa. Het rijm verbeeldt voor mij de krampachtige poging om de samenhang tussen twee vreemde delen te bewaren, of te veroveren. Ook al rijmt men zelden meer exact, de dichter poogt krampachtig iets te verbinden van wat tevoren onverbonden was. (En niet alleen de dichter, elke kunstenaar, misschien elk mens als hij herinneringen koestert, van de toekomst droomt.)
Er verschijnt de laatste jaren nogal wat kritiek, vaak zelfs gehoon, op Schweitzer. Zijn ziekenhuis is zo onhygiënisch, al die dieren die maar tussen de hutten rondlopen en hun uitwerpselen laten vallen. En dan zijn conservatieve instelling: hij zou de negers nog echt als lastige zwarte kinderen zien etc.
De bezwaren tegen de hygiëne worden nooit ondersteund door opsomming van epidemieën of althans van herhaalde infecties die er gevolg van zouden zijn. Hygiëne is niet meer dan een (vooral Amerikaans) bijgeloof.
En misschien mogen we het de 85-jarige Schweitzer vergeven dat hij na een lang leven te midden van primitief levende mensen er een mening op na houdt die - behalve dat hij heel wat humaner klinkt - niet zover afwijkt van die van enkele hedendaagse Nederlandse radicale socialisten (de gepensioneerde radicaal de Kadt b.v., die het in een, overigens heel boeiend artikel over Trotski, heeft over Loemoemba als een kannibalenhoofdman etc. etc.).
De hygiëne, die iets te maken heeft met een paranoïde angst om iets aan te raken dat andere levende wezens al aangeraakt hebben, de hon-
den die aan de lijn moeten, de oudewïjven die ingezonden stukken schrijven tegen hondedrollen op straat. De castreerders. De angst voor mest, voor bloed, voor pijn. Een steriel modern gestroomlijnd jonge-Boeddha-leventje.
Er is iets obsceens, als in veel religieuze voorschriften, in het door traditie voorgeschreven gebruik van schoenen, de afsluiting door middel van leer of godbeterhet rubber, van de voet.
Een van de rationalisaties van het schoengebruik is dat men op die manier geen koude voeten krijgt. Maar als het vriest krijgt men in schoenen ijskoude voeten, terwijl blote voeten op ijs of sneeuw warm blijven.
Een andere rationalisatie komt voort uit het bovengenoemde waanzinnige hygiënestreven. Wat mag dan wél de reden zijn?
Niet alle, maar wel vele gebruikers van schoenen lijden aan zweetvoeten. Wat kan in de natuurlijke selectie het bezit van stinkende klieren op de voet ooit voor zin hebben gehad?
De mens blijkt volgens de ethologen veel gemeen te hebben met sociale roofdieren: wolven, leeuwen, meeuwen zelfs.
Wolven - onze stinkende huisvriend heeft het er nog van overgehouden - onderhouden contact door het afgeven van geurvlaggen, urine of mest. Andere sociale dieren zoals antilopen (en waarschijnlijk ook de voorouders van de paarden) hebben geurklieren tussen de hoeven of laag op de poten, zodat soortgenoten elkaars spoor kunnen herkennen. De zweetvoeten van de mens hadden ongetwijfeld een dergelijke functie. De mens is al heel lang een loper. Onze voet is een van onze weinige eigenschappen die een gespecialiseerde ontwikkeling achter de rug hebben. De voeten stinken, als ze niet geschoeid zijn, niet. Ze geven in kleine - voor onze tegenwoordige neuzen niet waarneembare - hoeveelheden herkenbare geur af aan elke voetstap. Indertijd konden hordegenoten elkaar zo vinden. Maar natuurlijk ook leden van vijandige horden. In de praktijk zal er evenwicht zijn geweest tussen territoria die voor de mensen van verschillende horden herkenbaar anders geurden. Dit evenwicht kon met succes verstoord worden door de eerste horde die zijn geurstoffen van de buitenwereld afsloot in schoenen. Het voordeel: opsporen van de tegenstander, gold voor hen wel, het nadeel: zelf achtervolgbaar zijn, gold niet. De keuze van de schoen was dus een reëel voordeel in de struggle for life.
De behoefte aan contact door middel van geur hebben we echter niet verloren. Vandaar het stompzinnig gerook. Eén man in een grote zaal kan door middel van zijn rokertje alle omstanders ervan doordringen dat ze lucht inademen die al eens door hem is heen geweest. Dat schept verbroedering (of het tegendeel).
13 oktober 1964. Gisteren bij die film, toen ik iets zag van half of heel geestelijk gestoorden, bedacht ik dat het intense gevoel van medelijden (het ging wel om acteurs en actrices, maar de suggestie was zo reëel) iets te maken zou hebben met een instinct: het instinct om alles wat gebrekkig is aan te vullen tot een nieuwe afronding. Dat aanvullen heel letterlijk: waar een hand ontbreekt wil men de eigen geven. Het sterkst in het geval van kinderen.
De keerzijde van dit instinct, die men openlijk alleen bij dieren ziet, maar die bij mensen vaak aanwezig blijkt, is de drang om te vernietigen wat niet gaaf te maken is. Beschrijvingen van het opvreten van jongen door de moeder, hebben allemaal in zich het element van liefkozing, een liefkozing die monsterachtig ver wordt doorgevoerd. Bij roofdieren wordt b.v. met de harde tong zo hard gelikt dat de huid van het jong stuk gaat en dan haastig wordt opgeslokt.
Als opmerking na het geheel over anti-zindelijkkeid, anti-roken, begrip voor de behoefte aan onaanraakbaarheid: al die wensen zijn tegenstrijdig. Dat zie ik wel, ik registreer alleen wat ik in me zelf aflees. Het is ermee als met de man die een heel boek schrijft tegen het vegetarisme en niet in staat is om zelfs een insekt te doden.
Tegenstrijdigheden zijn heel natuurlijk, wat ons zou moeten waarschuwen voor de onzin in de rechtlijnigheid van onze redelijkheid.