Men kan de frustatie, opgewekt door de wetten en regels van moraal en esthetiek zien als de besnoeiingen die goede fruit- en bloemenkwekers moeten toepassen. Dat is niet om bloei of vruchtzetting te belemmeren, maar in tegendeel om deze tot groter rijkdom te dwingen.
Weliswaar is niets zo mooi als een goed onderhouden tuin, een jaar nadat het goede onderhoud werd stopgezet, maar dat is omdat de al te rechte lijnen van schaar en mes door onregelmatigheid overwoekerd op een natuurlijke wildheid gaan lijken, terwijl de grote lijn van de gecomponeerde afwisseling nog bewaard is. Maar na nóg een paar jaar is alles overwoekerd door gras, braam, brandnetel. De vruchten zijn talrijker, maar klein, gallig, oneetbaar. De bloemen zijn verstikt door de onbelemmerde bladgroei.
Helemaal goed is de vergelijking niet. De menselijke wetten en taboes hebben méér voordelen dan besnoeiing alleen. Ten eerste betekenen ze in hun bloeiperiode een onuitputtelijke bron van lust, van sadisme en masochisme, voor de ontduikers en de vervolgers van de ontduikers. Ten tweede zijn wetten en regels wel dode dingen, maar van de aard van skeletten, net als skeletten onmisbaar voor de vorming van grotere levensvormen. De slappen en de middelmatigen, gezamenlijk meer dan 90% van het bestand vormend, kunnen hun vormeloosheid gieten in de overgeleverde, niet-onsierlijke vaten, kunnen de ladders beklimmen met de reeds lang bekende richtingaanwijzingen, hoogtevoorschriften, niets buitensteken. De sterken hebben in de oude wetten iets om af te breken, om met de brokstukken nieuwe grote vormen samen te stellen, daarbij geïnspireerd door het goddelijk gevoel van vrijheid en overwinning dat ze al doende ondervinden. Geen vruchtbaarder periode in kunst of levensgevoel dan die waarin de heersende wetten bevochten worden.
In muziek, schilderkunst, literatuur is tegenwoordig elke wet overwonnen, alles mag, er is niets meer te overwinnen, er komt geen grote vorm meer dan van de slappen en middelmatigen die voortgaan de oude kruiken te vullen.
Zoals in de kunst is het met moraal. Op een paar praktische verboden na: niet stelen, niet doodslaan, geen verdovende middelen, mag alles. Jonge mensen die nog iets willen navoelen van de inspiratie die het overtreden van regels kan opwekken, stelen grammofoonplaten of
speelgoedautootjes, roken kapok of hennep. Doodslaan komt zelden voor, daar deinst het restje praktisch inzicht - en wie weet, instinct - voor terug. De achtergebleven, onderontwikkelde gebieden komen nu in het voordeel. Vrouwen die niet langer in de harem willen, mannen die ook zonder handafhakkerij willen overspelen. In West-Europa is in deze zin weinig achtergebleven gebied te vinden: Spanje, Portugal, Zuid-Italië en in ons land het gereformeerde, dubbel-gereformeerde, hersteld of evangelisch gereformeerde volksdeel.
Daar, waar de ijzeren wetten van Calvijn nog maar hoogst gebrekkig zijn aangeknaagd, is nog opbloei te verwachten. Politiek zijn de anti-revolutionairen de enige partij waarin iets beweegt, Pharetra wordt steeds leesbaarder en stoutmoediger, van de hoogleraren van de Vrije Universiteit komen de - op notabel niveau - radicaalste meningen. Als een gif dat dagelijks bestreden moet worden in onopgehelderde plaatsen van geest of lichaam is het calvinisme de grote drijfveer in de verhalen en in de zojuist uitgekomen roman van Jan Wolkers.
Steeds ziet men opdoemen de streng gereformeerde vader, uit wiens mond de bijbelse uitspraken (nooit van liefde, maar van recht, plicht, boete) als natuurlijke uiting klinken, de zuinigheid, het geld dat hem niet op de rug groeit (maar de kinderen wel, zoals het jaloerse kind een paar maal opmerkt). De moeder, zachtmoediger, maar uitgeblust door het enige waarin de gereformeerden ongeremd zijn: de voortplanting. De bewonderde broer die in het verzet of de wa is (dat doet er niet veel toe in dit verband, hij heeft een vorm gevonden voor zijn verzet), die door ziekte of gewelddadigheid sterft. De nymfomane zuster met wie op de meest ongelegen momenten, liefst aan sterfbedden, geruzied wordt, met op de achtergrond - misschien door de constante ruzies op die plaats gehouden - de grote sensuele aantrekkingskracht die zij op haar broer uitoefent. De liefde voor dieren als een vlucht voor het in wet verstarde. De jaloerse omstanders die op de meest wrede manier de dieren vernietigen.
De roman is het verhaal van een jongen uit zo'n milieu die - in strijd met de gereformeerde tradities - schilder wil worden. Het is in het laatste jaar van de oorlog 1940/45. Van de misschien aanwezige noodzaak tot onderduiken maakt hij gebruik om het ouderlijk huis te verlaten. In de grote stad (Leiden) maakt hij kennis met... niet veel goeds. Het is of de schrijver ondanks zijn haat tegen het calvinisme daar buiten geen goeds kan vinden. De enige niet-onsympathieke
figuren zijn leden van een nsb-academie. Behalve twee meisjes, een bedreigde maagd en een nymfomane, komen er nog een degeneré van adel en twee verstofte oude vrouwen in voor. De enigen die warme gevoelens opwekken zijn ondanks alles de vader, de moeder, de stervende broer. En - misschien iets te symbolisch - een dode, gipsen vrouwentors.
Jan Wolkers is een beeldhouwer, die wanneer hij niet abstract werkt een grote voorliefde toont voor Renoir en diens modellen. Deze voorliefde voor het bloeiende, sappige, heidense, moet in zijn jeugd tot heftige conflicten geleid hebben met zijn gereformeerde herkomst. (Zelf speelt Wolkers graag met de astrologische gedachte dat hij onder het teken van Scorpio geboren is en daardoor bezeten door problemen van dood en seksualiteit. Hoe dan ook, een goed beeld van de strijd tussen skelet en vlees, tussen Calvijn en Renoir. Heel mooi is - en dat is niet bewust zo gekozen - dat men op de flapfoto van Serpentina's Petticoat Wolkers met de armen wijd ziet staan voor de grafmonumentenwinkel op het Leidseplein, De Zuil. Graf en Zuil, dood en seksualitéit.)
Zolang hij vanuit deze problematiek schrijft is zijn stijl bezeten, wreed, kwetsbaar, geïnspireerd, vol van een fallische galgenhumor.
Misschien als restant van een gereformeerde behoefte aan wetmatigheid, rust hij niet eer de vorm voldoet aan strenge eisen van compositie, doorwerking. Zijn beeldhouwwerk heeft daardoor, ook in de meest abstracte laswerken iets klassieks. Zijn proza heeft meer mogelijkheden om door wreedheid, door vreemde grollen, de gaafheid te verscheuren. Maar de wetbehoefte is te groot. Niets wordt aan het toeval overgelaten. In ‘Vivisectie’, een prachtig verhaal (in Serpentina's Petticoat) over de dood van zijn broer, is het enige wat stoort de te zware geladenheid van enige details. Het noodlot moet vanaf het begin duidelijk zijn en daarom lijken de gespen van laarzen op ‘een leger kevers die een leeggegeten kadaver ontvluchten’ en de veters zijn ‘wanhopige stralen zwart bloed’. De beelden zijn goed en het verhaal wordt er geconcentreerder door, maar ik voel verzet tegen deze, predestinatie, ik verlang meer toeval, meer vrijheid in een verhaal.
Ook in de roman moeten alle details, een geweer, een schilderij, een litteken, de gipsen tors, een functie hebben in de compositie.
Vogens mij is dat de reden waarom het slot niet helemaal bevredigt.
Want zoals in de doorwerking van een sonate de thema's een eigen bestaan gaan leiden, zo wordt hier de hoofdpersoon doodgeschoten, niet om psychologische noodzaak, niet gedreven door de kwaadaardige inspiratie die op eigen ervaringen berust, maar om aan de thematische afronding te voldoen (een schot in het gezicht, in het litteken dat het hele boek door genoemd wordt als een bewijs, een herinnering aan vroeger kwetsuur).
Laat ik het voor alle zekerheid nog noteren: dit zijn bezwaren nadat de rijkdom, de zeldzame kracht en oorspronkelijkheid van verhalen en roman zijn vastgesteld. Ik houd alleen nog iets te wensen over en dat is dat de wet iets meer ontwricht moge worden, (november 1962)
Jan Wolkers: 1961 Serpentina's Petticoat. Gard Sivikreeks, tweede serie, deel 1/ Heijnis N.V. 1962 Kort Amerikaans. Roman. Meulenhoffeditie E 16.
ps Jan Wolkers vertelde me dat de nymfomane zuster en de kwaadaardige niet één persoon zijn, dat ze althans van twee verschillende figuren in de realiteit afstammen. Wat moeten de tekstwormen van Merlijn hier nu van denken? Als Jan Wolkers niets gezegd had buiten zijn boeken om, zou mijn verbinding van nymfomanie en kwaadaardigheid niet onlogisch zijn. Moet ik nu de buitenboekse informatie negeren?