terug  begin  verderprepost
[p. 86]

Fris-schoolkind-dat-opgewekt-thuiskomt

In de reeks ‘literaire ontmoetingen’ bijzonder getroffen door de uitzending gewijd aan Gerard van het Reve. Het begin vooral was prachtig gecomponeerd, de film over de zelfmoordbuurten in Amsterdam-Oost en betondorp, op de achtergrond de sombere stem van Van het Reve met pathetische uitspraken die alleen te verdragen zijn door de bijna retorische vorm waarin hij alles giet. De jeugd is volgens hem een nachtmerrie waaruit men langzaam, door het bereiken van volwassenheid misschien bevrijd wordt.

Ik geloof dat er objectief vast te stellen valt dat sommige omgevingen de jeugd gelukkiger kunnen maken dan andere. Dit los van de invloed der ouders. De meest uiteenlopende mensen die hun jeugd in het oude Indië doorbrachten zijn nog steeds vervuld van de gelukkige mogelijkheden om te spelen, om avontuur te beleven, om met dieren om te gaan, om zich te zonnen in een vrijheid die later verloren ging.

In onze provincie klinken de berichten over jeugdbelevenissen al somberder, in sommige oude stadsdelen en vooral aan havenkanten kan er nog iets van geluk ontvangen worden, maar de troosteloze massabouw die in het eind der vorige eeuw begonnen is in de nieuwe wijken van de stad (en in de ‘gesaneerde’ oude wijken, zoals de Pijp in Amsterdam) hebben zelfs de ontsnappingsmogelijkheden die de fantaisie kan bieden gedoofd. Maar het is natuurlijk niet alleen de omgeving.

 

Ik ken een man die het geduld opbrengt om pasgeboren zangvogels, naakte en vaak blinde larfachtigheden, op te voeden tot ze kunnen vliegen. Ringproeven hebben bewezen dat deze vogels even goed bestand zijn tegen de strijd om het bestaan als die welke door natuurlijke ouders zijn opgevoed. M.a.w. behalve voedsel hebben de jongen niets van hun ouders aan te nemen, alles zit in de genen, die te bestemder tijd hun effect zullen doen merken. Alleen de zang wordt bij sommige soorten bepaald door dat wat het jonge dier in zijn omgeving waarnam.

De Daatje Drijfka die een jonge leeuwin zover opvoedde dat zij zich in de wildernis kon handhaven en zelfs na enige jaren een nest jongen groot brengen, bewees hiermee dat zelfs bij hoog ontwikkelde roofdieren het grootste deel van het gedrag erfelijk bepaald is en dat het ontbrekende, plastische deel zo eenvoudig is dat het door de soort-

[p. 87]

vreemde handen van een mevrouw in goede vorm kan worden geboetseerd. Met een baviaan, laat staan een mensaap, zou zij dit experiment niet hoeven te proberen.

De star aangeboren behoeften en gedragingen zijn het eenvoudigst te bevredigen en uit te voeren. Meestal is het al voldoende als er partners zijn, voedsel en speelruimte. Maar hoe groter het deel is van de behoeften en gedragingen die als ze al erfelijk zijn vastgelegd toch hun vorm moeten krijgen door voorbeeld en opvoeding van soorteigen ouders, des te langer duurt het eer daarvoor de mogelijkheid van bevrediging is bereikt.

Hoewel de biogenetische grondwet van Haeckel maar een benadering is van de werkelijkheid, is er toch iets van waar dat in de jeugd stadia worden herhaald die bij lang geleden uitgestorven voorouders tot de volwassenheid behoorden.

Er is bij kinderen die goed te eten hebben, die speelruimte hebben en ouders waar ze bij kunnen schuilen, een soort natuurlijke zekerheid die wijst op het bevredigd zijn in een aantal plastische instincten. Deze zekerheid herkennen we in de poëzie, in de tekeningen en in de verhalen van jonge kinderen. Om het volwassen stadium te bereiken moet hier drastisch ingegrepen worden. De taal wordt ontleed tot combinaties van letters, waardoor de vroegere poëzie verdwijnt. Aan de beeldende vermogens worden zelfs in het moderne tekenonderwijs grenzen gesteld en vooral doelen: kijk toch eens hoe dat werkelijk in elkaar zit. De vertellingen moeten zich langzamerhand gaan houden aan logica, aan waarheid die door anderen te controleren valt. De agressiviteit wordt omgebogen tot ambitie, etc. etc.

Ik las ergens een notitie, maar ben vergeten waar, van Tolstoj, een indruk bij het bezoek aan een schoolklas. Het gevoel van schuld, alsof hij tegenwoordig moest zijn bij een afschuwelijk onrecht.

 

Cyril Conolly schrijft in een verslag over zijn tamme halfaap - nog zoveel primitiever voorouder dan kinderen en apen - dat deze in het bezit is van the lost virtue of irresponsibility.

 

De boeken van Schierbeek zijn natuurlijk vreemd, maar als ik me tot de leesbare boeken beperk, is Lydia en de Zwaan van Jos Ruting (Meulenhoff) toch wel het vreemdste boek dat ik in de Nederlandse taal ken.

Ruting, die op de leeftijd is van drie pubers te zamen heeft het niet

[p. 88]

vergeten van de school waarvan Van het Reve zegt: ‘wie hier binnen gaat late alle hoop varen’. En wie zijn reacties regelmatig leest in Podium op nieuwe misdaden door politie tegen jongeren begaan, door politici tegen jongeren begaan, over tuchtscholen, leger, de volwassen mening en kranten over nozems etc. weet dat een deel van Ruting de kwetsbaarheid en fantasie heeft bewaard die kinderen van nature bezitten en die pubers onder veel dwang, na een wanhopig gevecht van jaren moeten verliezen.

Lydia en de Zwaan is een verheerlijking van de virtue of irresponsibility. Het heet de gedachten en belevenissen van een klein meisje. Met een volstrekte afwezigheid van puritanisme (dus ook niet vervallend in overdrijving) geschreven over seksualiteit en sensualiteit.

Tot in de kleinste details herhaalt zich het thema van de uitgekristalliseerde maatschappelijke dwang en de bevrijding in onverantwoordelijkheid en fantasie. Bij het vandalisme t.o.v. een voor het slopen bestemde schuur (slopen is geen vandalisme, want is afgesproken, betaald, begint op vaste tijd etc.): ‘Hij gooide keihard, de steen vloog snel en strijkelings langs de glaswand, raakte een ruit, sprong over op een tweede en zelfs op een derde. Twee grote ruiten vielen plechtig en ingetogen maar toch met overgave, loodrecht omlaag. Het glas was blij, het had al jaren gewacht op dit majestueuze losvallen uit de gierige magere sponningen.’ Praktisch alles wat in onze kranten en radio- en televisieprogramma's aan de kaak wordt gesteld als nozemisme, joyriding, marihuana-roken, onzedelijk gedrag, brutaliteit, wordt in dit boek gezien van uit de ogen van een imaginaire deelneemster. Er wordt niet goed-gepraat, er wordt alleen met grote spanning geschreven over de gebruiken van een vreemde volksstam die constant wordt uitgeroeid en blijkbaar steeds weer opnieuw ontstaat.

Het is niet waarschijnlijk dat wat Ruting schrijft allemaal berust op nauwkeurige waarneming van jeugdige personen. Het is in de eerste plaats een fantasie, gebaseerd op alle brandpunten die de volwassenen met uniform en perongelukte sabelprikken proberen te doven.

Het is een heel vreemd boek, geschreven in kleine fragmenten, die soms realistisch aandoen, dan zonder overgang in de fantasie van een kind spelen, soms even een parallel aanslaan uit de mythologie. Het merkwaardige is dat ondanks het ontbreken van overgangen de draad niet afbreekt; de zender spreekt in verschillende talen maar de mededeling is dezelfde. (november 1963)

prepostterug  begin  verder