terug  begin  verderprepost
[p. 95]

Matthijs Vermeulen 75 jaar

Jaren geleden toen Matthijs Vermeulen nog blakende meningen over muziek neerschreef in de Groene, heb ik eens een van de vele plannen van een lui mens gemaakt: ik zou naar Donemus stappen en vragen of ze mij net zo lang alle daar ongetwijfeld op de band van hem aanwezige muziek zouden afdraaien, tot ik ze begreep en dan zou ik een stuk schrijven waarin ik vloekend het Nederlandse volk (nu ja, die paar abonnees van Propria Cures die dat blad lézen) er op wees dat ze weer eens een genie miskend hadden, maar dat het nog niet te laat was etc.

Ik weet nog niet of Donemus die bandjes heeft en of ze die wel voor me zouden hebben afgedraaid. Ik wilde alleen ter waarschuwing met mijn vooroordeel beginnen. Iemand die zo over muziek kon schrijven dat het alle zuiver letterkundigen groen en geel voor de ogen flikkerde, terwijl hij alle muziekminnaars (behalve natuurlijk degenen die hij op de Mengelbergiaans gevoelige zwemvliezen trapte) met gloed hun grote ervaringen deed herbeleven, moest volgens mij wel in directer contact staan met de muziek dan misschien zelfs wel Pijper.

Eén keer hoorde ik in het Concertgebouw een compositie van hem. Ik heb met grote inspanning geluisterd en geprobeerd de langs en door elkaar lopende melodieën gescheiden en gezamenlijk te horen. Maar ik kwam niet verder dan ‘moderne muziek’, zoals een Chinees Chinees is zolang men hem niet kent.

Na dertien jaar heb ik nu een avond lang naar composities van Vermeulen kunnen luisteren en ik kan u berichten dat mijn vooroordeel bevestigd werd: Vermeulen is de grootste Nederlandse componist sinds Sweelinck (zoals elk oordeel het bewust geworden vooroordeel is). Daar moet ik misschien een paar zinnetjes aan toevoegen.

Het was een Bijzonder Concert georganiseerd door de Stichting De Suite en de Stichting Donemus. In het begin had ik het gevoel dat ik in het verkeerde huis was. Een familiefeestje. Dames die onwezenlijk hun oogjes verwijdden bij het begroeten, in de hoop dat een kleine flonkering zal springen van tussen de fletser wordende luikjes. Veel ronde hoofden, een paar merkwaardige baarden, o.a. een complete Brahms, een paar dwergen met gezichtjes van soepel perkament, een enkele varkenskop, en dan - om met Van het Reve te spreken (de prof, niet de amateur) - Jany, Vic en Keesje.

[p. 96]

Het wachten duurde zo lang dat men in het geroezemoes haast ging denken dat dit het feest was.

Maar toen begon Wouter Paap te spreken. Eerst rammelend met verkeerde beelden, allengs beter sporend. Ten slotte een mooi romantisch verhaal over de 14-jarige Brabantse kostschoolleerling, die gegrepen wordt door de muziek. De 17-jarige die naar Amsterdam wegloopt, in de hoop in dat cultuurcentrum het handwerk te kunnen leren. Dan de toenemende wrijving met het officiële muziekleven. De weigering van Mengelberg om een orkestcompositie van Vermeulen uit te voeren. [Wanneer de Concertgebouwvrienden van nu allemaal verast zijn of overgegaan in wormen (dat laatste acht ik beter, uit een oogpunt van behoud van humus) zal men zich de kop breken over de vraag hoe een Duitsige dwerg de ontwikkeling van de Nederlandse muziek kon tegenhouden.]

Op het programma stonden een vioolsonate uit 1925, een cellosonate uit 1918, twee composities voor zang en piano, resp. uit 1917 en 1962. Allemaal kamermuziek en ik geloof - al zal ik nu zeker proberen meer orkestcomposities van Vermeulen te horen te krijgen - dat dit het ideale medium is om zijn eigenaardige polymelodiek te leren waarderen. Een orkest heeft zovéél stemmen, wanneer men niet de gelegenheid krijgt om een muziek vaker te horen, kan men de melodieën niet apart leren onderscheiden, waarna het samenklinken geheel anders zou worden. Bij kamermuziek gaat dit na enige inspanning vanzelf.

Vermeulen heeft al zijn energie gezocht en geuit in de melodie. Vanuit het tegenwoordig overheersende standpunt in de ‘wettige’ muziek [die van de nazaten van de westerse traditie, de post-seriëlen, de elektroonbezweerders, de regisseurs van geluiden, dingen, geuren, bewegingen (Stockhausen c.s.)] is dit een verlaten post. Maar hoe boeiend architectonisch, organisatorisch deze moderne muziek ook is, zodra muziek de melodie laat varen, ontstaat er een vacuum dat vervuld wil worden. (Wanneer de overheersende vleeseters gras gaan eten, is er plaats en zelfs een stimulans voor het ontstaan van nieuwe vleeseters.) In deze behoefte voorziet in toenemende mate de jazz. Vermeulen heeft in zijn barre eentje gepoogd deze niche te vullen. Op verschillende momenten, vooral in de vioolsonate, moest ik denken aan jazz. Ten eerste omdat ik door de jazz geen onoverkomelijke problemen meer hoor in de polymelodiek. Ten tweede omdat jazz de enige andere levende muziek is waarin beweging en ontwikkeling onscheidbaar

[p. 97]

verbonden zijn met de emotie. De prachtige opbouw van extatische momenten in al de composities van Vermeulen die op deze avond werden uitgevoerd, vindt in het heden alleen een parallel bij Coltrane.

Ik heb me na mijn aanvankelijke bewondering wel eens verbaasd dat de muziek van Pijper, die volgens een zo eigen systeem is opgebouwd, in totaal klankbeeld zo weinig afwijkt van de Fransen rondom 1900.

In de cellosonate van Vermeulen (1918) herkent men ook nog wel wat men noemt zuidelijke ritmen en melodieën. De polymelodiek is hier ook nog voornamelijk tonaal en soms eenvoudig canonisch, maar de adem in de melodieën - échte melodieën - is al totaal anders.

Het lied ‘La Veille’ van 1917, eigenlijk een compositie voor zang en piano, is dat van een groot componist, zoals gezegd, de eerste sinds Sweelinck. (Een lieve dichteres heeft gezegd dat ik geen tranen meer moest noemen in mijn schrijfsels.) Martha van Kerkhoff zong, Herman Uhlhorn begeleidde. Toen ze begon ergerde ik me aan de slechte uitspraak van het Frans, aan de pathetiek, aan het zingen (zang hoeft voor mij nooit), maar zoals alle grote muziek maakte deze de toehoorder los van zijn eigen beweginkjes, dwong hem tot een groter bewegen, een veel te kort groter leven.

Laat ik toch de tranen maar noemen. Het waren er meer dan een. Als lafhartig excuus moet ik zeggen dat ze gedeeltelijk van woede waren.

Woede dat iemand die in 1917 deze prachtige muziek schreef (een muziek die nog steeds modern is, als de études van Debussy, omdat ze niet ingehaald is en nooit zal worden) door het vervloekte muziekleven in Nederland in de kou is gelaten.

Ik ben geen recensent, het lukt me niet om de namen van alle uitvoerenden netjes over mijn stuk te strooien als rozijnen in een cake. Dat is wel jammer, omdat ik ze graag allemaal bedankt had voor de energie die het ze gekost moet hebben om de vaak moeilijke muzieken te overwinnen en zo te spelen als vurige pleidooien in de zaak-Dreyfuss van het Nederlandse muziekleven.

Men zou verwacht hebben dat bij de 75ste verjaardag van een groot componist het verzamelde muziekleven aanwezig zou zijn, al was het maar om slappe handjes te geven. Men zou verwacht hebben dat dit jaar het ‘schitterend nationaal instrument’ waarvoor Berneth Kempers geld inzamelt om het op te kunnen poetsen, één of meer concerten zou wijden aan het werk van Vermeulen.

[p. 98]

Maar Berneth Kempers die er anders zijn hand niet voor omdraait om een cantate te componeren als de IJ-tunnel wat vertraagd is, was afwezig. En het schitterend instrument gaat vier concerten wijden aan wensen van zijn vermolmde clientèle: Beethoven, Beethoven, Dvorák, Beethoven en niet te vergeten een heel concert met de walsen van Strauss.

Maar misschien is het voor Vermeulen juist bemoedigend dat hij in plaats van door het feilloos reagerende apparaat van ‘Het Gebouw’ nu gespeeld werd door jonge mensen.

Zo eindigde wat eerst een familiefeestje leek. Er werd geklapt, de musici bogen, kwamen nog eens terug, bogen nog eens. Nu zou Vermeulen op het podium worden gesleurd, een kleine apotheose, het is ten slotte een schrale troost te weten dat 50 jaar na je dood de volledige erkenning bereikt zal zijn.

Maar het applaus eindigde als een matte bui. We gingen naar huis.

Waarom werd niet ter plaatse het Vermeulen Genootschap uitgeroepen, ter bevordering van uitvoering en publikatie, zoals men dat heeft van Bartók en Kodaly, om van Bach, Händel, Wagner niet te spreken. Moeten de kerels dan eerst dood?

Nog lang spijt dat ik niet de moed opbracht om ‘Vermeulen’ te schreeuwen of wat dan ook. Vandaar dit stukje. (maart 1963)

prepostterug  begin  verder