auteur: Frans Hinskens en Pieter Muysken
bron:
Frans Hinskens & Peter Muysken, ‘Formele en functionele benaderingen van dialectale variatie; de flexie van het adjectief in het dialect van Ubach over Worms.’ In: Cor Hoppenbrouwers et al., Syntaxis en Lexikon, Veertien artikelen bij gelegenheid van het emeritaat van Albert Sassen. Foris Publications, Dordrecht 1986, p. 13-24.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2002 dbnl / Frans Hinskens & Peter Muysken

|
|
| | | | | |
Formele en functionele benaderingen van dialectale variatie; de
flexie van het adjectief in het dialect van Ubach over Worms
| | Frans Hinskens en Pieter Muysken
0. Inleiding
*
In de Nederlandse standaardtaal is het soms mogelijk in een
‘determiner’ + adjectief + substantief-groep het substantief weg te
laten en soms niet:
(1)
a Ik heb een zwart paard gezien.
b *Ik heb een zwart gezien.
(2)
a Ik heb een witte koe gezien.
b Ik heb een witte gezien.
Waarom is (2b) nu wèl grammaticaal en (1b) niet? Een formele
verklaring wordt gegeven in
Muysken (1983) en Muysken en
Van Riemsdijk (1986). Deze verklaring komt op het
volgende neer:
(3)
a elke NP in de zin moet een naamval hebben (enkele uitzonderingen
daargelaten), zoals aangegeven door het ‘casusfilter’, voorgesteld
door
Chomsky (1981);
b die naamval moet morfologisch uitgedrukt worden;
c een substantief drukt immanent altijd naamval uit, een adjectief
uitsluitend wanneer het een uitgang heeft.
Uit (3) volgt dan ook dat het substantiefloze een witte in
(2b) wel een welgevormde NP is want witte heeft een uitgang, maar een
zwart in (1b) niet, omdat zwart geen uitgang heeft. In de genoemde
artikelen wordt deze redenering onderbouwd met een overzicht van paradigma's in
verschillende Europese talen. Een essentiële aanname is dat met
congruentie binnen de NP ook de naamval gemarkeerd is, en daarom verwijzen we
in het vervolg naar de formele benadering met de aanduiding
casustheorie; (3a-c) maken deel uit van het casusfilter.
Naast deze formele verklaring is ook een functionele
benadering mogelijk: een NP is alleen dàn welgevormd als geslacht en
getal van de door de NP aangeduide referent voldoende duidelijk worden
uitgedrukt. In (1b) zou dat bij een zwart niet het geval zijn, in (2b)
bij een witte wel. Om deze functionele benadering ook werkelijk
verklarende kracht te geven, dient vastgesteld te worden welke en hoeveel
morfologische markering nodig is. Op dit probleem komen we in paragraaf 3 nog
terug. We zullen in het vervolg naar de functionele benadering verwijzen als de
‘identificatietheorie’.
Zijn deze twee verklaringen nu complementair, zijn het concurrenten
of komen ze op een iets abstracter niveau op hetzelfde neer? Deze laatste
mogelijkheid lijkt verenigbaar met Chomsky's (1981) opvatting dat het
casusfilter gemotiveerd is door de noodzaak tot ‘zichtbaarheid’
(visibility) van een argument in de semantische representatie, de Logische
Vorm, van een zin - eigenlijk óók een functionele opvatting.
In dit artikel zullen we deze problematiek bekijken aan de hand van
een dialect dat gesproken wordt op de grens van het Nederlandse en het Duitse
taalgebied en dat wat betreft de adjectiefflexie als het ware tussen het
Nederlands en het Duits inzit: het Ubach over Worms’. De graad van
complexiteit van het paradigma van de adjectiefflexie in dit dialect is precies
geschikt om de twee benaderingen te contrasteren.
Deze bijdrage is als volgt opgebouwd. Allereerst worden de
voornaamste eigen- | | | | schappen van de adjectiefflexie in de Nederlandse
standaardtaal (par. 1) en in het Ubach over Worms’ (hierna af te korten
als UoW’ - par. 2) kort besproken. In paragraaf 3 proberen we dan de
functionele en de formele benadering te toetsen aan het adjectiefparadigma van
het UoW’.
| |
1. De feiten in het standaard Nederlands
In het standaard Nederlands vinden we bij adjectieven die mannelijke
en vrouwelijke substantieven modificeren altijd -e, of het nu om een bepaalde
of een onbepaalde NP, enkelvoud of meervoud, gaat:
(4)
| a | de bruine
vriend | BEPAALD |
| | twee rode
vrouwen | |
| b | een paarse
vriendin | ONBEPAALD |
| | dappere
jongens | |
Bij adjectieven die onzijdige substantieven modificeren krijgt het
adjectief in onbepaalde NPs in het enkelvoud ø, in alle andere gevallen
-e:
(5)
a een zwart paard
b het zwarte paard
zwarte paarden
de zwarte paarden
In de neerlandistische literatuur zijn enkele uitzonderingen op deze
algemene tendens beschreven.
De Rooij (1980) komt, in een empirische verdieping van
Daan (1969), tot de bevinding dat adjectieven met
grammaticaal onzijdige referenten
- na bepaald lidwoord, demonstrativa en possessiva [inclusief
vooropgeplaatste genitief] in het algemeen uitzonderlijk, en
- in het dialect- en standaardtaalgebruik van sprekers uit het
zuiden vaker dan in dat van sprekers uit de rest van het Nederlandse taalgebied
‘onverbogen’ blijven, zoals bijvoorbeeld in
(6)
a ons bruin paard.
Ook het aantal lettergrepen en de klemtoonstructuur van het
adjectief spelen daarbij een rol (20-21). Deze factoren waren evenzeer werkzaam
in oudere fasen van het Nederlands (120-125).
De
Algemene Nederlandse Spraakkunst (Geerts et
al. 1984) vermeldt in paragraaf 2.6.1.3. over ‘Afleiding door middel van
een achtervoegsel’ onder I ‘Substantive-rings-e ter vorming van
persoonsnamen, biologische termen, abstracta en streek-aanduidingen’ over
afleidingen voor persoonsnamen als ‘afvallige’,
‘blinde’, ‘oudste’ en dergelijke: ‘Alle tot nog
toe genoemde afleidingen zijn gemeenslachtig, d.w.z. dat ze zowel betrekking
kunnen hebben op vrouwelijke als op mannelijke personen’ (78). In
paragraaf 6.4.1.2., over het ‘Gebruik van de verbogen en de onverbogen
vorm’, lezen wij onder meer dat attributief gebruikte adjectieven
onverbogen kunnen blijven ‘wanneer het adjectief niet voorafgegaan wordt
door een ander woord of wanneer het adjectief voorafgegaan wordt door: een
('n), geen, genoeg, veel, weinig, wat, een beetje, ieder, elk, enig, menig,
zeker, zo'n, zulk een, wat een, wat voor een, welk’ (326).
Oostveen (1959) beschrijft gevallen van het type
(6)
b een verstandig leraar
waarbij het adjectief onverbogen blijft in een grammaticaal
mannelijke NP, in tegenstelling tot wat hierboven aan de hand van (4) werd
beweerd. We treffen dit uitsluitend aan bij enkelvoudige, onbepaalde,
mannelijke substantieven, binnen | | | | die categorie vooral bij
persoonsaanduidingen en vaak in licht verheven stijl.
Voor dit betoog zijn deze punten van variatie niet erg relevant en
we gaan er verder dan ook niet op in -evenmin trouwens op adjectieven op
-/ər/ die gevormd zijn op basis van toponiemen, zoals deventer en
kamper en dergelijke (zie ook Sassen 1983). Deze adjectieven zijn nooit
verbogen, en kunnen ook niet zonder substantief voorkomen:
(7)
a *Geef me de deventere koek even aan.
b *Ik heb de groninger nog nooit gezien. (markt)
Hetzelfde geldt voor stofnamen, bijvoorbeeld houten en
vollen, vergelijk:
(8)
a *Ik heb een wollen gekocht. (trui)
b *Wij hebben een houten gezien. (paard)
| |
2. Het adjectiefparadigma in het Ubach over Worms'
Ubach over Worms ligt 8 km. noordoostelijk van Heerlen,
in de vroegere Oostelijke Mijnstreek. Dialect-geografisch bevindt Ubach over
Worms zich in de overgangszone tussen enerzijds de Ripuarische dialecten, die
gesproken worden ten oosten van de Benrather-linie, en anderzijds de meer
westelijke Oostlimburgse dialecten (vgl.
Goossens 1970: 64-66).
Als Nederduitse (Stijnen en
Vallen 1981: 62-63) dan wel Middelduitse dialecten
(Münch 1904: 3-4) hebben de Ripuarische dialecten
1 de Tweede
of Hoogduitse klankverschuiving in eerste instantie niet, maar in een latere
fase gedeeltelijk toch nog wèl ondergaan. Het gevolg is dat /p/, /t/ en
/k/ in deze dialecten niet in alle posities zijn verschoven naar /(p)f/, /(t)s/
en /x/. De dialecten in de overgangszone Ripuarisch-Oostlimburgs
vertonen op dit punt, maar ook in andere aspecten van de fonologie, een grote
heterogeniteit. Veel geringer is deze versplintering in de morfologie. In de
adjectiefflexie zijn de drie dialectgeografische groepen zelfs tot op grote
hoogte identiek. De feiten die hier beschreven en verklaard zullen worden zijn
daarom niet bepaald uniek voor het UoW’. Aangezien echter de eerste
auteur native speaker is van het UoW’, is dit dialect gekozen als
‘kapstok’.
Het volledige paradigma van de adjectiefflexie is geschematiseerd in
overzicht 1.
| | | | PRED | ATTRIB | | | |
| | | | | [DET + ADJ + N] | [DET + ADJ + Ø] | | |
| | | | | | | COMPAR | SUPERL |
| SING | MASC | | sjun | inne sjunne mangtel | inne sjunne | inne sjun(d)ere | der sjunste |
| | | | diek | inne dieke mangtel | inne dieke | inne diekere | der diekste |
| | FEM | ‘sterk’ | sjun | ing sjun books | ing sjun | ing sjun(d)er | de sjunste |
| | | ‘zwak’ | diek | ing dieke books | ing dieke | ing diekere | de diekste |
| | NEUTR | | sjun | e sjun he:mme | e sjunt | e sjun(d)ert | et sjunste |
| | | | diek | e diek he:mme | e diekt | e diekert | et diekste |
| PLUR | | ‘sterk’ | sjun | sjun kleejer | sjun | sjun(d)er | de sjunste |
| | | ‘zwak’ | diek | dieke kleejer | dieke | diekere | de diekste |
| mangtel | = | jas, mantel |
| books | = | broek |
| kleejer | = | kleren |
| he:mme | = | hemd |
| | | |
| sjun | = | mooi |
| diek | = | dik |
Overzicht 1: Het volledige adjectief-paradigma | | | |
| | | | PRED | ATTRIB | |
| | | | | [DET
+ ADJ + N] | [DET + ADK +
ø] |
| SING | MASC | | ø | ə | ə |
| | FEM | ‘sterk’ | ø | ø | ø |
| | | ‘zwak’ | ø | ə | ə |
| | NEUTR | | ø | ø | t |
| PLUR | | ‘sterk’ | ø | ø | ø |
| | | ‘zwak’ | ø | ə | ə |
Overzicht 2: Het volledige adjectief-paradigma; suffixen
| |
2.1
Het onderscheid ‘sterk’-‘zwak’ voor
adjectieven die in het vrouwelijk (enkelvoud) en meervoud geen (fonetisch)
respectievelijk een schwa-suffix kennen, blijkt fonologisch geconditioneerd.
Adjectieven met stemhebbende slotfonemen als /m/, /n/, /η/, /γ/, /R/,
/l/, /w/, en /j/ blijven onverbogen. Adjectieven die uitgaan op stemloze
fonemen als /x/
2, /k/, /t/, /p/, /s/ en /ſ/ daarentegen
suffigeren in die positie een schwa. Een feitelijk meer adequate en
gedetailleerde beschrijving luidt: ‘zwakke’ adjectiva suffigeren
altijd schwa, bij ‘sterke’ adjectiva is deze uitgang thans
optioneel. Sterke adjectiva kennen variatie in dit opzicht; vooral jongere
sprekers vertonen deze variatie in hun dialectgebruik. Kwantitatieve gegevens
hieromtrent ontbreken echter nog goeddeels.
Schijnbare tegenvoorbeelden tegen bovengenoemde regel zijn:
| 1) | PRED ‘muuf’, ATTRIB SING fem en PLUR
‘mufe’
3
= muf, muffe en dergelijke versus ‘grooaf’,
‘grooave’ = grof, grove etc. - kennelijk zijn adjectiva
uitgaand op V̆f # ‘zwak’ en adjectiva met V̂f #
‘sterk’; wanneer men voor woorden van deze laatste groep
onderliggend een slotfoneem /v/ aanneemt, dan vormen deze groepen geen
tegenvoorbeeld; |
| 2) | ‘leeag’, ‘leeage’ = leeg, lege;
‘hoeëg’, ‘hoeëge’ = hoog, hoge en
dergelijke: gaat de PREDvorm uit op een stemloze fricatief, de verbogen vorm
kent in deze positie een stemhebbende; ook hier wordt daarom onderliggend [+
stem] aangenomen; |
| 3) | ‘lings’, ‘lingse’; ‘rechs’,
‘rechse’; ‘sjuuns’, ‘sjuunse’ =
schuin(s), schuin-(s)e versus ‘loeës’,
‘loeës’ = slim, slimme; ‘grie:s’,
‘gries’ = grijs, grijze-kennelijk zijn hier adjectieven die
uitgaan op Vs # ‘sterk’ en adjectieven uitgaand op Cs #
‘zwak’; dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de laatsten
onderliggend op /z/ uitgaan, vgl. ‘grie:ze’,
‘loeëze’ SING mas; |
| 4) | PREDvormen als ‘gezoonk’ = gezond en
‘roongk’ = rond gaan weliswaar uit op een stemloze velaire
plosief, in de verbogen ATTRIBvormen SING masc en fem en PLUR is deze niet
aanwezig -vgl. ‘woongk’ = (ge)wond ADJ met
‘woong’ = wond SUBST; |
| 5) | ‘verdruuegt’, ‘verdruuegde’ =
verdroogd, verdroogde; ‘beleeaft’, ‘beleeafde’ =
beleefd, beleefde etc. - deze groep gedraagt zich ‘zwak’
(vgl. ‘oonbesjoeft’, ‘oonbesjoefte’ = onbeschoft,
onbeschofte), hoewel de verbogen vorm /də/ heeft. |
De gevallen 1 tot en met 4 betreffen adjectieven die uitgaan op
een obstruent die stemloos is ten gevolge van
‘Auslautverhärtung’
4. Bovenstaande analyse, nu, baseert zich op
de onderliggende vormen die dit proces
(9)
[-son] → [-stem] / - #
nog niet ondergaan hebben.
Ook voor adjectieven van het type 4, ‘boongk’ =
bont en dergelijke, moet men bij de vaststelling van het al dan niet
stemhebbende karakter van het slotfoneem uitgaan van de vorm zoals die er
vóór Auslautverhärtung uitziet
5. De onderliggende representatie:
(10)
Cɔ˔ηg# | | | |
resulteert
- na werking van regel (9) in:
(11)
Cɔ˔ηk#
voor de PREDvorm en ATTRIB neutr (is het substantief niet
gelexicaliseerd, dan wordt er /t/ aangehecht);
- na g-deletie (Trommelen en Zonneveld 1979: 147-148) in:
(12)
Cɔ˔η#
voor ATTR SING fem en PLUR, en
- na schwa-suffigering en geminaatdelging in:
(13)
Cɔ˔ηə#
voor ATTR SING masc.
Hiermee is aangetoond dat adjectieven voor vrouwelijk (enkelvoud)
en meervoud moeten uitgaan op een stemhebbend segment. Het kenmerk [+stem] is
of reeds aanwezig in het slotfoneem van de onverbogen vorm:
(14)
òf wordt, in de gedaante van een schwa, aangehecht aan voor
[-stem] gespecificeerde slotfonemen:
(15)
Een echte uitzondering op dit mechanisme wordt gevormd door de
(pseudo-)deelvoorden in 5. Hoewel een aantal van deze adjectiva in hun
pre-Auslautverhärtungsgedaante uitgaan op /d/, behoren ze niettemin tot de
‘zwakke’ flexie-klasse. Deze /d/ is echter, anders dan de
slotfonemen van de adjectiva in 1 tot en met 4, morfologisch. Dit verklaart het
uitzonderingskarakter van dergelijke (pseudo) deelwoorden ten aanzien van de
boven geschetste fonologische conditionering van het ‘sterk
zwak’-onderscheid, dat overigens dialectgeografisch een ruime verbreiding
kent. Onderzoek van een veertiental relevante, voor de R.N.D. eind jaren
veertig opgetekende zinnen maakt duidelijk dat alle tien in dit kader door ons
onderzochte Limburgse, alsmede een aantal Oostbrabantse dialecten
6 deze
regel kennen. Waar de opgetekende vorm afwijkt van de verwachte regelmaat (voor
koploper Venlo in 5 zinnen), werd zonder uitzondering de ‘zwakke’,
standaardtaalgelijkende, vorm gehanteerd.
| |
2.2.
Het is echter niet het onderscheid ‘sterk zwak’ waarop
de adjectiefflexie in deze bijdrage nader onderzocht zal worden, maar de
distributie van de verschillende suffix-typen. Wij richten de aandacht op
het /t/-suffix in beide klassen van adjectiva voor SING neutr in
constituenten met de vorm NP [DETindef + ADJ + ø]
7. (Ook adjectivisch
gehanteerde possessiva van het type:
(16)
het mijne
krijgen een /t/). De Nederlandse standaardtaal kent aan adjectiva
in deze specifieke positie geen suffix toe; dergelijke constituenten zijn dan
ook ongrammaticaal. Het hedendaagse standaard Duits daarentegen heeft hier
/əs/, zij het uit- | | | | sluitend na onbepaalde DETs. De distributie
van de flexie-uitgang /əs/ in het Duits is dus kleiner dan die van /t/ in
het UoW’. Anderzijds wordt in het Duits aan adjectiva ook. in syntagmata
van het type NP [DETindef + ADJ + N] het suffix /əs/ toegekend, terwijl
het UoW’ in die positie geen adjectief-uitgang heeft. Schematisch:
| | | Duits | Uow' |
| NP
[DET + ADJ +
ø] | DETdef | ə | t |
| | DETindef | əs | t |
| NP
[DET + ADJ +
N] | DETdef | ə | ø | | DETindef | əs | ø |
Overzicht 3 Adjectiefsuffixen met neutr referenten in het Duits
en het UoW'
Om deze redenen moet het uitgesloten worden geacht dat UoW' /t/
een reflex is van Duits /əs/, met andere woorden het suffix /t/ is
kennelijk niet de Nederduitse tegenhanger van Duits /əs/. Met de Tweede of
Hoogduitse klankverschuiving, waarbij onder meer /t/ in /(t)s/ veranderde,
lijkt deze UoWe flexievorm historisch niets te maken te hebben, aangezien de
distributie van beide suffixen in twee opzichten systematisch verschillen
vertoont
8.
Ten slotte dient er gewezen te worden op twee uitzonderingen. In
een tweetal gevallen wordt er geen /t/ aangehecht aan adjectiva in grammaticaal
onzijdige constituenten van het type NP [DET + AJD + ø]. Allereerst bij
stofnamen, vergelijk:
(17)
| a | ə wœ l ə ə
vεs | ‘een wollen
vest’ |
| b | ət wœ l ə
vεs | ‘het wollen vest’ |
(18)
a *ə wœ l ət
b *ət wœ l ət
(19)
a ?ə wœ l t
b ?ət wœ l t
(20)
a ə wœ l ə
b ət wœ l ə
Ook in de standaardtaal (Geerts et al. 1984: 309,
360) en in andere Nederlandse dialecten (De Vin 1952, aangehaald
in
De Rooij 1980: 120) gedragen geadjectiveerde stofnamen
zich zowel PRED als ATTR afwijkend.
De tweede uitzondering betreft een type adjectief dat het
Nederlands niet kent, evenmin als het Duits: de infinitiefvorm van verba
9, als in:
(21)
ιnə wιrəkə γεk
een werken gek, d.w.z. ‘iemand die te hard werkt’
(22)
re.αnə wè.ər
regenen weer, d.w.z. ‘regenachtig weer’
Vergelijk ook bijnamen als:
(23)
dər ſwèηkə wìl
de zwenken Wiel, iets als ‘scheve Willem’
(24)
də ſtìηkə mø̀k
de stinken?? | | | |
Is in dergelijke gevallen het (onzijdige) substantief niet
gelexicaliseerd, dan krijgt het geadjectiveerde werkwoord geen suffix /t/,
vergelijk:
(25)
a ə mulə ke.alkə
b ət mulə ke.alkə
een/het praten kereltje, ‘een kereltje dat (te) veel
praat’
(26)
a *ə mulət
b *ət mulət
Ook zonder -t is de substantiefloze NP met neutr referent
ongrammaticaal:
(27)
a *ə mulə
b *ət mulə
Het substantief mag kennelijk niet weggelaten worden; evenmin mag
dit bij grammaticaal mannelijke en vrouwelijke referenten. In constituenten van
dit speciale type staat het substantief in een ‘subjectsrelatie’
(Van den Toorn 1985: 365) tot het werkwoord. Anders dan de
feiten uit de Nederlandse standaardtaal die Van den Toorn bespreekt (waarbij de
werkwoorden in elk geval nooit de infiniete vorm z.m. vertonen) is hier echter geen
sprake van composita.
Wat beide typen van uitzonderingen (stofnamen en geadjectiveerde
infiniete verba) gemeen hebben is een uitgang /ə/. Overigens krijgen
adjectiva die lexicaal reeds op schwa uitgaan nooit een flexie-suffix,
bijvoorbeeld ‘vrieë’ = wrang, ‘êge’ =
eigen, ‘oape’ = open, ‘bluë’ =
blood (enquête
Willems voor Heerlen 1885).
Een mogelijke verklaring van de uitzonderingspositie van beide
bovengenoemde gevallen in verband met het verschijnsel /t/-suffigering in NP
[DET + AJD + ø] met een grammaticaal onzijdig antecedent is het feit dat er
reeds een (adjective-rings-) suffix aanwezig is.
| |
3. Toetsing van de beide theorieën
Na deze kennismaking met dit deel van het nominale paradigma van het
UoW' kunnen de twee theorieën getoetst worden die in de inleiding kort
zijn geschetst. Naar we zullen laten zien, kunnen beide theorieën in
eerste instantie slechts een deel van de feiten verklaren.
De empirische basis voor de identificatietheorie wordt onder
meer gevormd door de volgende observaties: het syntagma NP [DETindef + ADJ +
ø] voor grammaticaal onzijdige referenten is in de Nederlandse standaardtaal
ongrammaticaal. DETindef ‘een’ is als zodanig ongemarkeerd voor het
kenmerk geslacht. Voor DETdef is hetzelfde constituenttype echter grammaticaal.
Het paradigma ziet er als volgt uit:
(28)
(29)
(30)
(31)
Mannelijk en vrouwelijk (enkelvoud) zijn identiek gemarkeerd; de
Nederlandse grammatica kent dan ook feitelijk geen onderscheid masc/fem meer.
In dit opzicht kan men spreken van een syncretisme.
Omdat NP [DETdef + ADJ + ø] zowel voor ‘geslacht’
(de, het) als voor getal (uitgang adjectief) gemarkeerd is, zijn (28)
tot en met (31) grammaticaal. Het feit dat het onbepaalde lidwoord daarentegen
voor ‘alle’ genera identiek is, en | | | | er dus geen markering
is voor geslacht, maakt dat:
(32)
een dikke
alleen SING ‘masc’ of ‘fem’ kan zijn,
terwijl:
(33)
dus uitgesloten is.
Wanneer men deze feiten vergelijkt met die voor het UoW' (zie
overzicht 1 hiervóór), dan valt op dat dit dialect a) voor
enkelvoud een drieledig genussysteem kent, en b) zowel in DETdef en DETindef
als in de adjectiefflexie distinctief gemarkeerd is. De identificatietheorie,
nu, zegt het volgende: NP-interne congruentie voor [αgeslacht] en [
βgetal] is discontinu gemarkeerd in de vormen van DET en ADJ. Deze
NP-interne congruentie in het UoW' kent in totaal 7, onderling exclusieve,
manifestaties:
| | | DET | + | ADJ
+ | N |
| | | def | indef | | |
| 1
SING
masc | | dər | ιne | ə | + |
| | | dər | ιne | ə | - |
| 2
SING
fem | ‘sterk’ | də | ιη | ø | + |
| | | də | ιη | ø | - |
| 3
SING
fem | ‘zwak’ | də | ιη | ə | + |
| | | də | ιη | ə | - |
| 4
SING
neutr | | ət | ə | ø | + |
| 5
SING
neutr | | ət | ə | t | - |
| 6
PLUR | ‘sterk’ | də | ø | ø | + |
| | | də | ø | ø | - |
| 7
PLUR | ‘zwak’ | də | ø | ə | + |
| | | də | ø | ə | - |
| Overzicht 4 De zeven mogelijke markeringscombinaties voor NP's met
adjectief in het Ubach over Worms' |
Voor:
| - | getal |
| - | geslacht |
| - | de beide fonologisch onderscheiden klassen van adjectieven en |
| - | het al dan niet gelexicaliseerd zijn van N |
is elk der 7 markeringscombinaties op zichzelf uniek. Hiermee is aan
de eis van unieke identificatie voldaan.
Interessant is nu, dat het enige strikt linguïstische
aspect in de congruentie-markering in het paradigma van de UoWe
adjectief-flexie, het fonologisch geconditioneerde onderscheid tussen
‘sterke’ en ‘zwakke’ buiging, aan variatie onderhevig
is. Deze variatie die, nogmaals, erop neerkomt dat schwa-suffigering thans
optioneel lijkt te zijn voor vanouds ‘sterke’ adjectiva, houdt een
reductie in van de systeem-interne pluriformiteit in de adjectiefuitgangen en
van de variatie tussen dialect en standaardtaal. Er lijkt hier sprake te zijn
van een structurele motivatie (om precies te zijn een
‘drift’-tendens) voor wat op langere termijn wel eens een
nivelleringsproces zou kunnen zijn. Deze nivellering komt
structureel-linguïstisch neer op een vereenvoudiging. Deze vereenvoudiging
behelst een ontwikkeling van
I flexie-uitgang adjectief bepaald door:
1. -voor SING fem en PLUR- de fonologische context en
2. morfologische regels voor markering van congruentie voor geslacht
en | | | |
getal
naar
II flexie-uitgang adjectief bepaald door morfologische regels voor
markering van congruentie voor geslacht.
Empirisch (kwantitatief-sociolinguïstisch) onderzoek in Ubach
over Worms zal het mogelijk maken dit nivelleringsproces in kaart te
brengen.
Een probleem voor de identificatietheorie is het verschil in
adjectief-markering (ø resp. /t/) voor NP [DET + ADJ + N] resp. NP [DET + ADJ
+ ø] voor enkelvoudige, grammaticaal onzijdige referenten, of specifieker,
het ø-suffix van adjectieven voor een gelexicaliseerd substantief. Een
mogelijke oplossing voor dit vraagstuk luidt dat N in NP [DET + ADJ + N] de
status van ‘hoofd’ (head) heeft, een status die in het
substantief-loze syntagma wordt overgenomen door het adjectief, dat dan het
kenmerk [neutr] morfologisch markeert.
Het feit dat adjectieven in groepen met en zonder substantief voor
[masc] noch voor [fem] maar wèl voor [neutr] verschillende suffixen
vertoont, impliceert een gemarkeerdheid van [neutr], een gemarkeerdheid die
zich in de standaardtaal overigens openbaart in het
de/het-contrast.
Voor de casustheorie liggen de voorspellingen net andersom.
Het contrast in grammaticaliteit tussen (34a,b) en (c)
(34)
a ə nœ ˔ i hê:mə
b ə nœ ˔ it
c *ə nœ ˔ i
is binnen de identificatietheorie alleen verklaarbaar wanneer we
aannemen dat het neutr als gemarkeerde categorie een extra suffix vergt als er
geen substantief in de NP aanwezig is. Het contrast volgt direct uit de
casustheorie: de -t is nodig om de casus van de hele NP uit te drukken. Een
schijnbaar tegenvoorbeeld voor de casustheorie vormt:
(35)
ιη nœ ˔ i / də nœ ˔ i
de vrouwelijk-enkelvoud-vorm van ‘sterke’ adjectieven.
Vergelijkbare problemen biedt het meervoudsparadigma voor ‘sterke’
adjectieven (zie Overzicht 4). Hier is immers een NP zonder substantief en
zonder morfologische markering op het adjectief tòch grammaticaal.
Natuurlijk is er volgens de analyse in paragraaf 2.1. ook bij de ø gevallen
sprake van morfologische markering: er wordt (redundant) een [+stem] kenmerk
aangehecht, en men zou kunnen zeggen dat het morfeem dat met dit kenmerk is
geassocieerd zelf de casusdrager is. Een andere mogelijke oplossing is de
aanname dat ‘sterke’ adjectieven, nèt zoals
‘zwakke’, onderliggend een -e uitgang hebben, die in de
fonologische component wordt gedeleerd.
Omdat de opvatting van het casusfilter in
Muysken (1983) dwingt tot de aanname dat dit filter in
de Logische Vorm opereert, biedt dit geen problemen:

De ə-deletie regel zou als volgt moeten functioneren: | | | |
(36)
Een onmiddellijk probleem is dat deze regel niet voor de
ə-uitgangen van mannelijke adjectieven mag werken: ə is er immers ook
in de fonetische representatie. Hiervoor zijn verschillende oplossingen te
bedenken, zoals de aanname dat de mannelijke ə -uitgang onderliggend geen
pure /ə/ of niet louter /ə/ is, en daarom regel (36) niet ondergaat.
Hoe dan ook, het feit dat alleen in bepaalde fonologische gedefinieerde
contexten de ø markering van adjectieven in NP [DET + ADJ + ø]
constituenten optreedt, suggereert dat dit type geen tegenvoorbeeld inhoudt
tegen de casustheorie.
Hoewel de casustheorie het met de diverse schwa's nogal zwaar te
verduren heeft, is de stand tot nu toe één-één
tussen beide theorieën. Zowel de casustheorie als de identificatietheorie
slagen erin bepaalde observaties te verklaren, en beide theorieën moeten
op een bepaald punt hulphypothesen invoeren.
Als we naar een mogelijke verklaring voor de affigering van -t
zoeken, blijken de theorieën in belangrijke mate te
convergeren. Eerder lieten we zien dat de -t niet aan de Hoogduitse -s
is te relateren. Waar komt hij dan wel vandaan? Een mogelijkheid is het
onzijdig clitisch pronomen /ət/, zoals in (37):
(37)
Ix wIl ət
ik wil het
Is het mogelijk de aangehechte -t als cliticisering van het
voornaamwoord te zien? Hier spreken twee dingen tegen:
A. bij adjectieven treedt er geen /ə/ op:
(38)
Ix sinət
ik zie het
(39)
əſœ˔nt
*ə ſœnət
een mooi (met betrekking tot onzijdige substantieven)
B. bij adjectieven die op een morfematische -ə uitgaan is -t
ongrammaticaal, zoals al eerder getoond is, en dit is niet zo bij clitische
pronomina, bijv. na meervouds -ə:
(40)
*ə wœl ə t
een wollen
*ə mul ə t
een praten (in beide gevallen met neutr referent)
(41) vŷ:ər wιl ə {n̄/?} ət
wij willen het
Kennelijk is -t gevoelig voor de morfologische karakteristieken van
de aanhechtingsplaats, en deze gevoeligheid kenschetst affixen eerder dan
clitische elementen. Niettemin suggereert de complementaire distributie van -t
en referentiële elementen (substantieven) in de NP, dat -t zelf een
referentiële status heeft. Er zijn immers géén vormen van
het type NP[DET + ADJ-t + N] (zie overzicht 4: 4 vs. 5). We zouden het kunnen
beschouwen als een pronominaal affix, een uitgang met de kenmerken [neutr]
[enkelvoud], gereserveerd voor morfologisch casusloze NPs.
Op dit punt vallen de casustheorie en de identificatietheorie samen:
voor de laatste is -t een element dat de gemarkeerdheid van [neutr]
morfologisch aangeeft en als hoofd van de substantiefloze groep functioneert.
Voor de casustheorie is -t een element dat een NP, die morfologisch casus-loos
is op het niveau van de Logische Vorm, als argument identificeert. Het
casusfilter blijkt niet meer dan een afgeleide te zijn van het algemene
principe dat NPs geïdentificeerd moeten kunnen worden als argumenten.
Misschien moet (3c), dat stipuleert dat substantie- | | | | ven immanent
naamval uitdrukken, komen te vervallen en vervangen worden door de
natuurlijkere omschrijving dat substantieven het hoofd kunnen zijn van een
vervijzende uitdrukking.
Het stipulatieve karakter van deze laatste gedachte zal duidelijk
gemaakt hebben dat aspecten van dialectale variatie van belang kunnen zijn voor
de verdere ontwikkeling van de algemene taaltheorie. Voor meer definitieve
uitspraken daarover specifiek op basis van de hier besproken verschijnselen is
het echter noodzakelijk, het perspectief in comparatieve zin te verbreden, bij
gelijktijdige verfijning van de analyse. Maar dat zullen we doen in een
volgende bijdrage.
| | | | | |
Literatuur
| Chomsky, N. (1981) Lectures on government and binding.
Dordrecht. |
| Daan, J. (1969) Ons oude huis. In: Taal en tongval 21,
112-114. |
| Elemans, J. (1969) Zestig bloemen. In: Taal en tongval 21,
134-136. |
| Geerts, G., W. Haeseryn, J. de Rooij en M. van den Toorn (1984)
Algemene Nederlandse spaakkunst. Groningen/Leuven. |
| Goossens, J. (1970) Niederländische Mundarten vom Deutschen aus
gesehen. In: Niederdeutsches Wort 10, 61-80. |
| Münch, F. (1904) Grammatik der ripuarisch-fränkischen
Mundart. Wiesbaden (fotomechan. herdruk Bonn 1970). |
| Muysken, P. (1983) Parasitic trees. In: Proceedings of NELS
13 GLSA, Amherst Mass., p. 199-209. |
| Muysken, P. en H. van Riemsdijk (1986) Introduction. In: Features
and projections. Dordrecht. |
| Oostveen SCJ, B. van (1959) Het type ‘een verstandig(e)
leraar’ in hedendaags Nederlands. Ongepubl. doct. scriptie K.U.
Nijmegen. |
| R.N.D.= Reeks Nederlandse dialektatlassen. Deel 8,
Dialektatlas van Belgisch-Limburg en Zuid Nederlands-Limburg, door E.
Blancquaert, J.C. Claessens, W. Goffin en A. Stevens, Antwerpen (1962); deel 10
Dialektatlas van Oost-Noord-Brabant, de Rivierenstreek en
Noord-Nederlands-Limburg, door A.R. Hol en J. Passage, Antwerpen (1966). |
| Rooij, J. de (1980) Ons bruin(e) paard. In: Taal en tongval
32, deel I: 3-25, deel II: 109-129. |
| Sassen, A. (1983) Een morfologisch regiolectisme uit Groningen. In:
Taal en tongval 35, 90-93. |
| Schrijnen, J., J. van Ginneken en J. Verbeeten (1914)
Dialectenquête; ongepubl.; materiaal berust bij de N.C.D.N.-K.U.
Nijmegen. |
| Spa, J.J. (1982) Stemhebbende eindobstruenten in het Frans:
Nederlandstaligen tussen de scylla en de charybdis. In: Linguïstische
en socio-culturele aspecten van het taalonderwijs. Handelingen van het tweede
Fakulteitscolloquium Gent, 24-26 november 1982. Gent, 356-364. |
| Stijnen, S. en T. Vallen (1981) Dialect als onderwijsprobleem;
een sociolinguïstisch-ondervijskundig onderzoek naar problemen van
dialectsprekende kinderen in het basisonderwijs. 's-Gravenhage. |
| Toorn, M. van den (1985) Enkele opmerkingen over samenstellingen van
het type V + N. In: Leuvense Bijdragen 74, 3, 363-376. |
| Trommelen, M. en W. Zonneveld (1979) Inleiding in de generatieve
fonologie. Muiderberg. |
| Willems (1885, 1886, 1887) Dialectenquête; ongepubl.;
materiaal berust bij de Kon. Vlaamse Academie, Gent, en in microfiche-vorm bij
de N.C.D.N. - K.U. Nijmegen. |
|
*We streven in dit artikel naar dezelfde
combinatie van aandacht voor taalkundige details en belangstelling voor
theoretische problemen die het werk van Prof. Dr.
A. Sassen zo duidelijk kenmerkt. Terwijl aanvankelijk
de eerste auteur de functionele en de tweede auteur de formele benadering
voorstond, is het contrast tussen beide opvattingen tijdens het schrijven van
deze tekst aanmerkelijk vervaagd. Wat de eerste auteur betreft: het project
waarvan het hier gepresenteerde onderzoek deel uitmaakt wordt gesteund door de
Stichting Taalwetenschap, die wordt gesubsidieerd door de Nederlandse
Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (Z.W.O.).
1Van dit dialectgeografische type is het
dialect van het tien km. ten zuiden van UoW gelegen Kerkrade in
het laatse decennium het meest in de belangstelling geweest.
2Het slotfoneem /x/ assimileert na
schwa-suffigering tot /γ/.
3Alle voorbeelden zijn afkomstig uit het
materiaal dat voor de enquête
Willems in 1885 opgetekend is voor
Heerlen. De daar gehanteerde spelling is hier overgenomen.
4Vergelijk: ‘In het Nederlands
bestaat, evenals in veel andere Germaanse talen [maar ànders dan
bijvoorbeeld in het Frans], een desonorisatieregel volgens welke een
stemhebbende obstruent aan het woordeinde zijn stemhebbendheid verliest’
(Spa 1982: 356).
5Bij de fonologische analyse van
adjectieven van het type 4 was Dr.
H. Scheutz (Inst. für deutsche Philologie,
Ludwig-Maximilian-Universität, München) behulpzaam, waarvoor aan hem
bij deze nogmaals dank.
6Voor dit onderdeel van het onderzoek werd
het R.N.D.-materiaal bestudeerd zoals dat opgetekend is voor de plaatsen
Kerkrade (Ripuarisch), Waubach,
Nieuwenhagen, Heerlen, Slenaken
(overgangszone Ripuarisch-Oostlimburgs), Sittard en
Maastricht, Genk ( België),
Roermond, Venlo ( Oostlimburgs),
Gemert en Schijndel (Oostbrabants). Vergelijk in
verband met deze laatste groep ook de observaties van
Elemans (1969) voor het Huisselings.
7Indien het adjectief op een fonetische /t/
uitgaat, treedt de regel geminaatdelging in werking.
8Ook dit fenomeen kent een relatief grote
dialectgeografische verbreiding. Het /t/-suffix in deze specifieke positie is
in 1885, 1886 en 1887 voor de enquête
Willems opgetekend voor Aken en
Herzogenrath (W-Duitsland; Ripuarisch), Heerlen
(overgangszone Ripuarisch-Oostlimburgs) en Sittard (Oostlimburgs;
andere plaatsen werden door ons in dit materiaal niet bestudeerd), in 1914 voor
de enquête
Schrijnen,
Van Ginneken en
Verbeeten voor de Zuidlimburgse plaatsen
Rimburg -met Waubach en de Groenstraat één van de
oude kernen van UoW- Heerlen, Klimmen (overgangszone
Ripuarisch-Oostlimburgs), Eijsden, Meerssen,
Geleen, Sittard, Urmond en, in
Midden-Limburg, Grevenbicht, Susteren en
Swalmen (allen Oostlimburgse dialecten). In het in de jaren '40
voor de R.N.D. verzamelde materiaal (zin 115: ‘'t Is een klein(tje) maar
't is een fijn(tje)’, is deze flexie-/t/ opgetekend voor
Kerkrade (Ripuarisch), Waubach,
Nieuwenhagen, Heerlen, Voerendaal,
Hoensbroek, Klimmen, Gulpen,
Slenaken (overgangszone Ripuarisch-Oostlimburgs),
Eijsden, Gronsveld, Beek,
Stein, het Belgische Dilsen en voor
Susteren (Oostlimburgse dialecten). Het R.N.D.-materiaal voor 16
andere, door ons bestudeerde, lokale Limburgse dialecten is voor dit aspect
onbruikbaar, aangezien men ofwel de dimunitiva als het ware woordelijk
vertaalde ofwel perifrastische constructies gaf (als ‘wat kleins; wat
fijns’). Niettemin lijkt de uitspraak gewettigd dat het
verbreidingsgebied van deze flexie-/t/ in noordwestelijke richting kleiner is
dan dat van de twee op fonologische gronden onderscheiden flexie-klassen (vgl.
par. 2.1. hiervoor).
9Het is overigens ook denkbaar dat verba in
deze constellatie een tegenwoordig deelwoord-functie hebben, maar dan wijken ze
aspectueel af van het deelwoord zoals we dat kennen in de Nederlandse
standaardtaal.
|
|