[p. 8]
De katten van den koning
In het grote Paleis te
Ede
,
woonde Koning Bram de Tweede.
Er waren twintig kamers in,
in kamer 12 woonde de Koningin.
In kamer nummer 11,
woonde de Koning zelf.
In de kamer daarnaast, de tiende,
woonde 's Konings bediende.
In kamer nummer 4
woonde de kamenier.
In kamer nummer 8
woonde de kamerwacht.
[p. 9]
en hoog in het Koninklijk gebouw,
waar het donker was en heel erg nauw,
in een kamertje, dat geen nummer had,
woonde de Koninklijke kat.
De Koninklijke kat heette Ferdinand,
hij woonde in een Koninklijke kattemand.
En in zeven kleine mandjes,
woonden zeven Ferdinandjes.
De kamenier, Jonkvrouw van Dop,
klom elke dag de trappen op.
Ze bracht ze 's morgens elk,
een zilveren bordje met melk,
ze bracht ze kattenbrood, vlees en vis,
en alles wat lekker voor katten is.
Maar met of zonder reden:
de katten waren ontevreden...
[p. 10]
Daar is Pieter Gijs!
's Konings neefje Pieter Gijs,
ging eens dwalen door 't paleis.
Het was Woensdagmiddag en de
Koning was op reis.
Eerst at Pieter Gijs zijn pap,
daarna ging hij vlug op stap,
zwierf wat rond en stond ineens
voor de zoldertrap.
‘Wat is dat?’, vroeg Ferdinand,
‘Brengt u voor mijn bak vers zand?
of misschien wat nieuwe kussens
voor de kattemand?’
‘Neen,’ zei Pieter Gijs ontdaan,
‘ik loop zo maar even aan,
ik wist niet, dat u hier woonde,
'k zal maar gauw weer gaan.’
[p. 11]
‘Nieuwe kussens heb ik niet,
ook geen zand tot mijn verdriet,
wel een bromtol en ook knikkers,
véél, zoals u ziet!’
Ferdinand knikte verbaasd
en vroeg: ‘Woont u soms hiernaast,
bent u 't zoontje van de buren?
En hebt u veel haast?’
‘Neen, ik woon in het Paleis
en mijn naam is Pieter Gijs,
ik hoef niet naar school toe en de
Koning is op reis.’
Ferdinand zei: ‘Dat treft net,
blijft u dan maar spelen met
Jaapje, Joopje, Jantje, Keesje,
Koosje, Frits en Fred.’
[p. 12]
De Bromtol gaat snorren
Zij speelden heel de middag op de zolder van 't Paleis,
zij hadden reuze-pret en niemand morde.
Zij speelden haasje-over, maar het allerfijnste was
de Bromtol die zo vreselijk mooi snorde.
Zij speelden met de knikkers, met de kussens en de mand,
zij speelden zelfs krijgertje om de borden.
Zij speelden voetje-van-de-grond, maar het allerfijnste was
de Bromtol die zo vreselijk mooi snorde.
Ze holden en ze dolden en ze rolden urenlang,
toen riep Ferdinand ze tot de orde.
Iedereen had pret gehad, maar het allerfijnste was
de Bromtol die zo vreselijk mooi snorde.
[p. 13]
En toen kwam er een doos
...
De volgende dag werd een grote doos gebracht
daar stond op
EEN VERRASSING VOOR ALLE ACHT
En wat zat er in? Voor elk een tol!
Van blijdschap werden ze bijna dol.
Ze zongen en dansten en sprongen en holden,
tot ze buiten adem hun mand in rolden,
en tenslotte - jullie mag het best weten -
hebben ze van pure pret hun tollen opgegeten ...
En nu denk jullie misschien: dat is niet goed voor een kat,
maar ze hebben er helemaal geen last van gehad.
Ze bleven vrolijk en blij bij al wat ze deden,
en waren nooit meer, zoals vroeger, ontevreden.
Soms als een poes te zonnen zit, of over zijn kop
geaaid wordt hoor je nog dat tolletje dat snort
.