[p. 41]
Met Joost in de dierentuin
I
De giraffe
Joost, wat is een marmotje?
Joost zegt: een wollen beest,
wit, maar met bruine vlekjes,
eerst is-tie een muis geweest.
Joost, wat is een pinguin?
'n Vogel met een zwart jasje,
'n glanzend hagelwit overhemd
en helemaal geen dasje.
Joost, wat is een pappie-gaai?
een schreeuwer met een roodgroen rokje
en een kromme snavelbek
die vastzit aan een stokje.
Joost, en wat is een giraffe?
Een beest met een hals van een meter
die graan, paling en macaroni lust,
en met zo'n hals slikt-ie het beter.
[p. 42]
II
De olifant
Ik zeg tegen Joost: ‘Vertel me eens,
wat vond je het mooiste dier?’
Hij ziet me onderzoekend aan
en zegt dan: ‘kijk eens hier!
Op één na het mooist was dat beest
met die staart vol gouden bloemen,
die heb ik je, heb ik dat goed gehoord,
vanmiddag
pauw
horen noemen.
Maar het allermooiste, en daarop viel
dadelijk m'n keus
- je noemde 'm geloof ik
olifant
-
was die met zijn staart aan z'n neus!’
[p. 43]
III
Het beertje
Kijk, dat kleine lobbesje
op z'n bruine sokken,
waggelewaggele over de vloer
van zijn woning sjokken.
Het is Dikkerdje, de beer;
hij is nog pasgeboren,
uit zijn pluizige, ronde kop
steken twee kleine oren.
Zwaaiend komt-ie overeind
op zijn achterpoten:
‘Nu ben ik nog maar 'n kleintje, hè,
maar gauw ben ik óók een grote!’
Als je wegloopt, kijkt-ie je aan:
‘Ik ga naar de ijsbeer, mijn neef,’
Zijn ronde ogen knippen verbaasd
en zijn kop houdt hij even scheef.