terug  begin  verder

[p. 48]


illustratie

Het vuiltje

 
Toen de soldaat de hoek omkwam,
 
woei het verschrikkelijk,
 
de wind blies wolken stof hoog-op,
 
héél onverkwikkelijk.
 
Het allerkleinste stofje vloog
 
in den soldaat z'n oog.
 
 
 
Hij stapte naar den korporaal
 
en zei: ‘Het is fataal,
 
toen ik zo pas de hoek omkwam
 
woei het verschrikkelijk,
 
de wind blies wolken stof hoog-op,
 
heel onverkwikkelijk,
 
het allerkleinste stofje vloog
 
juist in mijn rechteroog.
 
Ik voel mij helemaal niet pluis
 
en blijf vandaag maar thuis.’
 
 
 
De korporaal zei: ‘Zo, zo, zo!’,
 
en liep naar den sergeant,
 
en zei: ‘Het is frappant,
 
ik sprak zo-even een soldaat,
 
die voelde zich niet pluis,
 
hij blijft vandaag maar thuis.’
 


illustratie

 


illustratie

[p. 49]
 
De sergeant bromde: ‘Sapperloot!’,
 
en meldde aan den luit':
 
‘Het ziet er somber uit,
 
vanmorgen vroeg liep een soldaat
 
(of twee, ik weet het niet precies)
 
te wandelen op straat,
 
het weer was zeer bijzonder vies.
 
Het woei verschrikkelijk,
 
de wind blies wolken stof hoog-op,
 
heel onverkwikkelijk.
 
En toen ze daar zo liepen, vloog
 
een vuiltje in hun oog,
 
ze voelen zich beslist niet pluis,
 
vandaag blijven ze thuis.’
 
 
 
De luitenant, geheel van streek,
 
liep naar den kapitein,
 
Hij zag verbazend pips en bleek
 
en sprak: ‘Het is niet fijn,
 
ik hoor zo juist van den sergeant,
 
er is iets aan de hand.
 
Een hele troep soldaten kan
 
niet vechten voor het land.
 
Men heeft, als de sergeant niet loog
 
een vuiltje in het oog.
 
Men zit nu thuis en wrijft en wrijft,
 
helaas, het vuiltje blijft.’
 


illustratie

[p. 50]
 


illustratie

 
De kapitein, een driftig man,
 
die nooit zijn tijd verloor,
 
reed op zijn paard naar den majoor,
 
Hij salueerde recht en stram
 
en zeide: ‘Het is lam.
 
De hele zesde companjie
 
(en nog wel meer misschien)
 
die kan geen steek meer zien.
 
Ik vraag me af wat ik moet doen,
 
ik ga maar met pensioen!’
 
 
 
De majoor, in een vlieg-masjien,
 
vloog naar den kolonel
 
en zei: ‘Als ik het zeggen mag,
 
ik ben beslist van slag.
 
Ik hoor juist van den kapitein,
 
die hoorde van den luit',
 
die hoorde weer van den sergeant;
 
het ziet er somber uit;
 
vandaag kwam het bevel ‘val aan,’
 
maar het zal heus niet gaan,
 
de mannen - het is géén gezicht! -
 
lopen met één oog dicht ...’
 


illustratie

[p. 51]
 
De stotterende kolonel
 
reed naar den generaal,
 
en mompelde: Wel, wel,
 
we zouden morgen juist op m .. mars.
 
dat zit ons lelijk dwars.
 
Straks zijn er van mijn regiment
 
maar een p .. paar man present.
 
Ik zeg u op mijn woord van eer,
 
het is geen doen, m .. neer!’
 
 
 
De generaal, heel oud en wijs,
 
schreed statig naar 't Paleis.
 
Hij klopte bij den Koning aan
 
en mocht naar binnen gaan.
 
De generaal zei: ‘Majesteit,
 
veel praten heeft geen zin.
 
Ik val maar met de deur in huis:
 
Er is hier iets niet pluis.
 
Het leger heeft, van laag tot hoog,
 
een vuiltje in het oog!
 
Wij kunnen, het is buiten kijf,
 
den vijand niet te lijf.’
 
 
 
De Koning sprak Vol Waardigheid:
 
‘Geloof, dat het Ons spijt,
 
maar vuiltjes, daar kan niemand voor,
 
de oorlog gaat niet door!’
 


illustratie

terug  begin  verder