[p. t.o. 9]
origineel
het kaartenhuis
.
Schreiënd riep hij; 't is bedorven;
Vader, heb ik kwaad gedaan?
bl.10.
[p. 9]
origineel
Het kaartenhuis.
K
laasje schiep een groot behagen,
Als van aart wat wreed en straf,
Vliegjes, die hij vong, te plagen,
Trok hun vlerk' en pootjes af.
Eens had hij zeer net en vaerdig
Zich een kaartenhuis gemaakt,
ô Riep hij, ô dat staat aerdig,
Als 't maar niet wordt aangeraakt.
Vader, zie eens; dat 's een woning;
't Is zoo lief als ik 't begeer.
Maar in plaats van een beloning
Stiet zijn vader 't huisje neêr.
't Arme knaapje zag bestorven
Zijn gebroken speelgoed aan;
Schreijend riep hij; 't is bedorven;
Vader, heb ik kwaad gedaan?
[p. 10]
origineel
Hoe! was 't antwoord, moet gij wraken.
Dat uw werk verbroken wordt,
Dat gij weer zo ras kunt maken,
Als het straks is ingestort?
Doe dan nooit een diertje sterven
Dat God schiep, en 't leven gunt.
Zou uw hand zijn werk verderven
Dat gij nimmer maken kunt?