[p. 25]
origineel
De gierigaard.
M
ijn vader zegt; een gierigaard
Is 't allersnoodste mensch.
Al heeft hij 't vette van dees aard,
Hij heeft niets naar zijn wensch.
Daar elk zijn naasten minnen moet,
Gelijk Gods wet vermeldt.
Haat hij dien God, zich zelfs, zijn bloed,
En mint alleen zijn geld.
Bevreesd voor dief en moordenaar,
Schoon hij geen Godheid vreest,
Leeft hij gelijk een bedelaar,
En sterft gelijk een beest.