[p. 41]
origineel
De zomer.
D
e Zomer, ja die staat mij aan;
Dan kan ik mij met duizend zaken,
Die 'k 's winters missen moet vermaken,
Het zij ik mag uit vissen gaan,
Of buiten vol op kerssen eten,
(En dat mag eerst plaisierig heten)
Of dat ik bij mijn vaders vrind
Mag daaglijks met den wagen rijden;
Die braave man mag mij zoo lijden;
Hij mint mij als zijn eigen kind.
Ik wil ook altoos naar hem hooren,
En hem door stoutheid niet verstooren.
Ik heb hem lief; hoe graag zou hij
Schier alles tot mijn heil besteden,
Dit weet ik, want in zijn gebeden
Bidt hij ook altoos lief voor mij.