[p. 46]
origineel
Het zwijgen.
H
oor Wimpje; wat mij van dees morgen
Bejegende; 't verdriet,
Dat ik toen leed, zal mij doen zorgen,
Dat zulks niet weêr geschiedt.
Ik hoorde mijnen vader spreken
Met Jan, die bij hem stond,
En wijl ik me in 't gesprek wou steken,
Sloot hij me gauw den mond.
Hoe, zei hij, hoe! wat moet ik horen!
Gij durft dan, stoute gast;
Uw' vader in zijn spreken stooren,
Het welk geen kinders past.
Gij moet mijne agting nimmer krenken;
Gehoorzaam mijnen wil.
Een kind moet horen, zien en denken,
En zwijgen echter stil.