terug  begin  verder
[p. 66]origineel

Het rupsje.

 
ô Rupsje; welk uitmuntend schoon
 
Spreidt gij voor 's menschen oog ten toon!
 
Gij moogt veragtlijk wezen
 
Bij hem, die gaave vrugten mint:
 
Ik kan, al ben ik maar een kind,
 
In u Gods almagt lezen.
 
 
 
Wie heeft, schoon kruipertje; het kleed,
 
Dat u bedekt, voor u gereed?
 
Welk kunstnaar kon met kringen,
 
Waar in de schoonste verwe speelt,
 
Zoo net geschikt, zoo juist verdeeld,
 
Uw teder lijf omringen.
 
 
 
't Is God alleen, wiens wondre magt
 
En u en mij heeft voortgebragt;
 
Maar mij schonk Hij daarboven
 
Een geest, op dat ik in het schoon,
 
Dat Hij in 't schepzel spreidt ten toon,
 
Zijn wondre magt zou loven.
terug  begin  verder