[p. t.o. 69]
origineel
de koe en het paard
.
‘Ha, welkom; sprak de trotsche koe’
Eens tegens 't paard,
bl.69.
[p. 69]
origineel
De koe en het paard.
‘
H
a, welkom; sprak de trotsche koe’
Eens tegens 't paard, dat pas ontslagen
Van 't zware werk, van lasten dragen,
Ter weide kwam; ‘ha, welkom; hoe
Vriend draver! smaakt u toch uw leven?
Gij hebt van daag weer tiend gegeven;
Ik zie het schuim nog op uw huid.
Ik loof gij wordt van elk gebruid.
Uw leven is vol tegenheden.
Daar wordt u naauwlijks rust vergund;
Naauw tijd, dat gij wat eten kunt,
Of 't zaal ligt weder op uw leden,
En 't is, ‘sjeu! sjeu! terwijl de zweep
U wakker maakt met streep op streep.
Gij ziet u daaglijksch wreedlijk plagen.
Maar ik, ik ben van elk bemind;
De meester, of ik was zijn kind,
Komt daaglijksch naar mijn welstand vragen,
[p. 70]
origineel
Betast en streelt me aan allen kant;
Ik krijg altijd het beste land;
Geen mensch komt ooit mijn rust verstoren.
Ik eet, ik drink, ik gaa, ik staa,
En doe al 't geen me kan bekoren,
Mijn leven heeft geen wedergaê.
't Is waar, sprak 't blesje, 'k moet belijden,
Gij hebt thans vrij wat beter tijden,
Dan ik, maar 't geen den meester raakt,
Dat hebt ge wat te grof gemaakt.
Wanneer hij u braaf uit ziet dijgen
Is hij, dit weet ik, wel te vreên,
Juist niet om u; neen beisje, neen;
Maar om een volle kuip te krijgen.
Ik leef gerust; het werk is mij geen last,
Dat is een juk, dat op mijn schouders past;
Maar was ik in uw' staat, 'k zou niet van blijdschap spreken.
Bedenk het eens, nog weinig weken,
Wanneer ik op mijn stal zal staan,
Dan komt de wreede slagttijd aan.
Zeg, beis; hoe zal 't met u dan gaan?
[p. 71]
origineel
De vroome die, beroofd van goed,
Hier worstlen moet met tegenspoed,
Blijft echter vrolijk, welgemoed,
Op 't zalig sterfuur wagten.
Maar hij, die, schoon hij schatten heeft,
In ondeugd en in wellust leeft,
En voor zijn schriklijk sterfuur beeft,
Moet zich rampzalig agten.