[p. 93]
origineel
De luije.
G
erard, een Jonge knaap, had geen vermaak in spelen,
En zonder vuur of geest,
Bestond zijn tijdverdrijf in knorren en krakkelen.
Het leeren - ô niets kon hem meer verveelen;
Hij was voor 't school als voor den dood bevreesd;
Geen wonder, want die niet wil leeren
Voelt zich door stok en plak regeren.
Zijn brôer was juist het tegendeel;
Die speelde graag, maar leerde ook veel,
En kon al speelend zelfs behagen.
Ligt vraagt gij, of dit vlijtig kind
Ook van zijn' broeder wierd bemind?
Maar 't is onnodig dit te vragen.
Een luije domoor kan geen vlijtigen verdragen.
Eens speelde Willem op de plaats
Met eenen van zijn cameraas.
[p. 94]
origineel
Gerard liep naar Papa: ik kan 't niet langer zwijgen,
Riep hij, al zou ik kijven krijgen:
't Is driemaal reeds op éénen dag
Dat Willem speelt; die jongen wil niet deugen.
Och! riep Papa, hoe zou ik mij verheugen,
Zoo 'k in één week u éénmaal leeren zag.