[p. 98]
origineel
De waare sterkte.
J
an was een sterke knaap,
En had geen wedergaê
In trekken, beuren, dragen.
Trots op die ligchaams gaaf,
Bekroop hem eens de lust,
Een' schrander man te vragen;
Wie sterker was dan hij?
Het andwoord was gereed;
Die zich voor 't kwaad kan wagten,
En, daar 't Gods wet gebiedt,
Zijn' liefsten lust verzaakt,
Die, die heeft meerder krachten.