terug  begin  verder
[p. 105]origineel

De nagtegaal.

 
Hoor Vader! - ô wat schoon gezang!
 
Dat zijn eerst aangename toonen.
 
Het bosch weergalmt - mijn leven lang
 
Wou ik wel bij dit zingen woonen.
 
En hoor, zoo hart - dit dier is schoon,
 
En zeker groot; 'k wou 't wel eens kijken.
 
Gij durft, sprak de oude man, mijn zoon;
 
Eer gij het weet, dit oordeel strijken.
 
Gij noemt het schoon en groot - Ei koom!
 
En zie het klijne beestje springen.
 
Daar, daar in 't topje van dien boom,
 
Dat is die meester in het zingen.
 
 
 
Dit leert ons, dat men nimmer kan
 
In iemands kleed zijn gaven lezen.
 
Een arm en onaanzienlijk man
 
Kan deugdzaam en verstandig wezen.
terug  begin  verder