[p. 113]
origineel
't Herstelde kind.
I
k ben hersteld! - Lof zij uw' naam,
Almagtig Opperwezen!
Ik ben alleen door uwe kragt
Als van den dood verrezen.
ô Gij! die ziekte en dood gebiedt.
Verwerp mijn kindsche erkentnis niet!
De kinderziekte sloeg mij neer;
De doodsvrees deed mij beven.
Ik bad van u, Almagtig God!
Verlenging van mijn leven.
Gij hoorde naar mijn zwak gebed,
En hebt mij van den dood gered,
Mijn speelnoot, die zoo jong als ik,
Niet vreesde voor het sterven,
Wierd ook door pokjes aangetast,
En moet nu 't leven derven.
ô God! dien ieder prijzen moet,
Wat zijt ge groot! wat zijt ge goed!
[p. 114]
origineel
Gij woudt, schoon ik het niet verdien,
Als vader aan mij denken.
Ik zal u, die mij 't leven schonk
Mijn leven weder schenken.
Al wat ik doe, mijn God! mijn Heer!
Zij mij tot hen, en u tot eer.