[p. 122]
origineel
Het dankbaare kind.
W
at ben ik een gelukkig kind!
Daar andren bij het sterven
Van ouders, alles derven,
Zie ik van vreemden mij bemind.
Een buurman, wiens vermogen
Hem naaulijks spijst van dag tot dag,
Had, toen hij mij een weesje zag,
Met mij nog mededogen.
Hij nam mij als zijn kind in huis;
En laat mij niets ontbeeren;
En 't geen mij nut is, leeren.
Dus ben ik vrij van smart en kruis.
Ik zal hem steeds beminnen;
En ook, wanneer ik word een man,
En hij dan niet meêr werken kan,
Voor hem het brood weêr winnen.