[p. 123]
origineel
De waare vergenoegdheid.
V
ader is zoo vergenoegd,
Schoon hij onder last en zorgen
Van het krieken van den morgen
Tot den avond voor ons zwoegt.
Hij is altijd welgemoed;
Of hem zwarigheên omringen;
Hij kan echter vrolijk zingen:
‘'k Vrees geen leed; mijn God is Goed.
‘Hij, dien 't Heir der Englen dient;
‘Die de winden op zijn spreken
‘In doet binden, uit doet breken,
‘D'Opperheerscher is mijn vriend.
‘'k Ben altijd van hem behoed;
‘Zijne hand zal mij bewaaren;
‘Mij in 't midden der gevaten
‘Nog doen zingen; God is goed.
[p. 124]
origineel
Zulk een leven staat mij aan;
'k Wil als vader vrolijk leven,
En mijn hart mijn' Schepper geven,
Die op mij zijn oog zal slaan.
'k Word dan ook van hem gevoed;
Door zijn goede gunst gezegend;
En of mij iets kwaads bejegent,
'k Zing dan echter; God is goed.