‘De arbeid der slaven is niet overdreven en duur, als de neger vlijtig is, niet langer dan negen uren elken dag,’ zoo schrijft de heer kappler, en zoo is de algemeene verklaring, die gij in Suriname hoort. Ondertusschen zegt dezelfde schrijver op eene andere bladzijde: ‘De veld-slaven gaan 's morgens ten zes of zeven ure naar de akkers aan hunnen arbeid, en keeren 's avonds, of wanneer zij de taak geëindigd hebben, die hun op de meeste plantages wordt aangewezen, naar hunne woning terug.’ Al nemen wij dit aan, waar blijven dan die ‘negen uren’ arbeids, die van hen zouden gevergd worden; zij zijn dan ten minste reeds tot elf of twaalf uren uitgedijd. Maar dit is klaarblijkelijk veel te gunstig voorgesteld. Reeds ten vijf ure en op de suikereffekten ten vier ure in den morgen worden de slaven door de reveille uit hunnen slaap gewekt. Dan moeten zij voor de bereiding van hun voedsel zorgen en al spoedig wordt het bevel tot den afmarsch naar de velden gegeven. Komen zij dan des avonds, moede en afgewerkt, terug, dan is de tijd der rust nog lang niet daar. Hebben zij in dat uur voor hunne meesters niet meer te werken, dan moeten zij toch in alle geval weder voor zich zelven zorgen, want geene vlijtige vrouw, die
zijne spijs heeft gereed gemaakt, wacht den neger als hij van den akker te huis komt.
Maar de Minister van Koloniën heeft toch zoo vaderlijk voor de slaven trachten te zorgen! In zijn reglement heeft hij een geheel hoofdstuk gewijd aan bepalingen ‘over den arbeid,’ die aan de negers mag worden opgelegd. Art. 13 is vele bladzijden lang. Daarin worden tot in de geringste bijzonderheden de verschillende taken aangewezen, die de meester zijnen slaven iederen dag mag laten verrigten. Eerst 'tgeen op alle plantages en gronden te pas komt; dan de werkzaamheden op de suiker-plantages; vervolgens die op de koffij-plantages, daarna die op de katoen-plantages, op de kakao-plantages, op de bananen-gronden en eindelijk op de houtgronden; niets is vergeten; alles is geregeld. Wij moeten u dit merkwaardige stuk, hoe vervelend de lektuur ook moge wezen, onder de oogen brengen. Hier volgt het.
De arbeid op de plantagiën en gronden wordt geregeld naar de navolgende bepalingen:
Hebt gij dit zonderlinge voorschrift doorgeworsteld, dan weet gij aan welke banden het Gouvernement de slavenhouders van Suriname gelegd heeft. In zulk een keurslijf heeft het den arbeid aldaar gekneld.
Alle mogelijke gevallen zijn beschreven; in ieder soort van werkzaamheid is voorzien. De direkteuren der plantages mogen geene taak hoegenaamd aan hunne slaven opdragen, of zij moeten eerst dit artikel, hun ‘wetboek van den arbeid’, opslaan en raadplegen, en volgens de voorschriften van dien code moet het werk geregeld worden!
En hoe heeft men in dit reglement den arbeid geregeld? Heeft men daarbij onder anderen in het oog gehouden wat de heer lans zegt: ‘Er zijn voor den slaaf werken, die met groote inspanning gepaard gaan, en derhalve, wanneer zij lang aanhouden, de krachten uitputten en het ligchaam meer vatbaar maken voor ziekelijke aandoeningen; onder deze tel ik vooral het delven, het daarmede dikwijls verbonden uitroeijen der boomwortels en het boschvellen.’
Heeft de Minister dat in het oog gehouden?
Maar in alle geval hij heeft den arbeid, tot in de geringste bijzonderheden, geregeld. En dat is nog niet alles. Zijne zorgen voor de slaven strekken zich veel verder uit.
‘Alle kompagnies veldwerken’ zegt hij in artikel 15 ‘vangen aan, des ochtend ten zes ure en eindigen des avonds ten zes ure, met inbegrip van twee uren rust;’ dat zouden dus niet negen maar tien uren daags zijn.
En nog meer! ‘De Zondagen’ beveelt hij, ‘worden aan de slaven als rustdagen toegekend, waarop geen werk van hen zal gevorderd worden.’
En 't blijft er nog niet bij. ‘Bij alle jaarverwisselingen’ gebiedt de Minister ‘worden aan de slaven drie werkdagen toegestaan, tot de onder hen gewone nieuwjaars-uitspanning, en bovendien een werkdag, om uit te rusten.’
Wat wilt gij meer? Niet alleen tegen bovenmatigen arbeid, is gewaakt, maar zelfs voor rustdagen en uitspanning gezorgd!
- ‘Maar gelooft gij dan waarlijk, dat deze voorschriften iets anders ten gevolge hebben, dan dat men in Nederland de philantropen, die, dewijl dit thans aan de orde is, zich het lot der slaven aantrekken, er wat zand mede in de oogen gooit?’ vroeg een hooggeplaatst persoon en plantage-eigenaar te Paramaribo aan iemand, die eerst onlangs in de kolonie voet aan wal had gezet, en den tegenwoordigen Minister om zijn reglement hemelhoog verhief.
- ‘Wat zegt gij, mijnheer?’ hernam de vreemdeling met oogen, die den hoogsten graad van verbazing uitdrukten.
- ‘Ik zeg, dat bij den arbeid op de plantages volstrekt geen acht op al die fraaije bepalingen geslagen wordt. Even goed nu, als vóór de afkondiging van het fameuse reglement, wordt die arbeid volgens de van ouds bestaande gewoonten en het eigen goeddunken van de direkteuren geregeld.’
- ‘In weerwil van het reglement, dat bij koninklijk besluit is vastgesteld? Hoe is het mogelijk!’
- ‘Hoe zou het tegendeel mogelijk zijn? Al die voorschriften zijn onuitvoerbaar. Waar zou het heen, indien men niet meer vrijheid had, om de werkzaamheden eener onderneming zelf te regelen? Bovendien, al wilde de regering haar reglement handhaven, hoe zou zij er toe bij magte zijn? Hoe zou zij den arbeid van twee honderd plantages kunnen kontroleren? 't Is onverantwoordelijk, dat men het zoo ver heeft weten te brengen, om voorschriften zoo dwaas, zoo vol feilen en gebreken, in naam des Konings te doen afkondigen!’
Niet ligt zult gij een administrateur of een direkteur in Suriname ontmoeten, die in eenen anderen geest spreekt.
Maar hoe is dan toch eene regeling van den arbeid der slaven in de wereld gekomen, waarvan iedereen
verklaart, dat zij geen den minsten waarborg geeft aan de negers en bovendien onuitvoerbaar is?
De oplossing ligt voor de hand. Reeds lang hadden de Engelschen in het naburige Demerary de slavernij afgeschaft, en in 1848 deden de Franschen het plotseling in Cayenne. De geest des tijds verklaarde zich overal krachtdadig tegen de schandelijke exploitatie van den neger. De Surinaamsche slaveneigenaars, aan wie men geen geslepenheid en doorzigt kan ontzeggen, begrepen zeer goed, dat er wat gedaan moest worden, dat zij den schijn moesten aannemen van met den stroom te willen mederoeijen. Daarom redeneerden zij, zeer verstandig en menschlievend, ongeveer aldus:
- ‘In Demerary en Cayenne is men te ver gegaan. De slaven zijn nog volstrekt ongeschikt voor eene onmiddellijke emancipatie. Maar wij zijn gaarne bereid, om in het belang der slaven alles te doen wat in ons vermogen is. Laat men wetten maken, die de regten der slaven duidelijk omschrijven. Laat men tot in de geringste bijzonderheden bepalen, wat men van hen vergen mag. Laat men zorgen, dat zij niet meer arbeiden, dan in redelijkheid kan gevorderd worden!’
Zulke fraai klinkende, maar misleidende redeneringen vonden ingang - en het gevolg er van was -, wij gelooven geheel ter goeder trouw, - de vaststelling van een reglement, waarvan diezelfde slaveneigenaren thans zeggen, dat de voorschriften onuitvoerbaar zijn!
Maar veronderstel eens, dat het Gouvernement bij magte was, om zijne bevelen omtrent den arbeid der slaven te handhaven - zou dan nog hun lot zoo veel benijdenswaardiger zijn? zouden zij er bij winnen?
Op een enkel gedeelte van die tallooze bepalingen zullen wij opmerkzaam maken. Ex uno disce omnes. Wij zullen het werk van een delver, waarvan de heer lans verklaart, dat zijn arbeid de krachten uitput en het ligchaam meer vatbaar maakt voor ziekelijke aandoeningen, wij zullen het werk, dat hij, volgens de
ministeriële voorschriften, moet verrigten, vergelijken met dat van eenen arbeider in Nederland.
Tot grondslag van dit laatste nemen wij de opgave van den Majoor-Ingenieur merkus, in zijne Bijdrage tot de versterkingskunst. Volgens de waarneming van dien schrijver bij den vestingbouw in de zuidelijke provinciën van het voormalig koningrijk der Nederlanden, kan, door eenen arbeider van gewone sterkte en bij goed weder, in eenen werkdag van tien uren, worden uitgegraven en op eenen afstand van drie of eene hoogte van één-en-een-halve el worden opgeworpen:
| In rotsgronden waartoe pikken en breekijzers vereischt worden | 0,3-0,9 kubieke ell. |
| in met puim en boomwortels bezetten grond | 0,6-1,0 |
| in bevroren grond | 1,2-1,8 |
| in mergelgrond met harde klei vermengt | 1,8-2,3 |
| in slik of modder onder water | 2,3 |
| in lossen zandgrond | 4,3 |
| in gemengden kleigrond en walaarde | 5,0 |
| in steekhoudenden of handzamen grond | 6,0 |
Vergelijken wij hiermede de hoeveelheid grond die door een slaaf, bij het graven van ponten-trenzen (kanalen of waterlozingen) moet verwerkt worden. In art. 13 leest gij, onder letter ƒ, daaromtrent het volgende: ‘Delven van nieuwe ponten-trenzen, 500 voeten lengte, één voet breedte en negen duim diepte per delver, doch voor de eerste schop minder, voor zoo ver droogte of de aard van het land dit vereischt.’
Als gij nu dit werk in Nederlandsche maat overbrengt, dan vindt gij, den Rijnlandschen voet gelijk 0,314 el stellende, dat de negerslaaf dagelijks ruim 11 kubieke Nederlandsche ellen aarde moet verwerken en dus weing minder dan het dubbele der taak van den, onder de gunstigste omstandigheden werkenden,
Europeschen arbeider. Bedenk daarbij, dat de negerslaaf in een brandend klimaat werkt. Herinner u de bananen en bakkeljaauw, die hem voeden, de geringe hoeveelheid voedingstof in die spijze, die hem krachten moet geven. Zie vooral niet over 't hoofd, dat de Europesche arbeider, na 't volbrengen van zijne taak, gewoonlijk zijn maal bereid vindt en rust kan nemen.
Indien nu eens het reglement getrouw werd opgevolgd, zouden de slaven er voordeel bij hebben? Zoo weinig, dat ditzelfde reglement, omdat het onuitvoerbare taken vaststelt, een middel is in de hand der direkteuren, om den neger tot elken arbeid te dwingen, dien hij vroeger van hem vorderde; want zij kunnen hem met artikel 13 in de hand bewijzen, dat hij volgens de wet tot veel meer verpligt is.
Het reglement beteekent alzoo niets, want de arbeid. geschiedt niet volgens zijne bepalingen. 't Zou onmogelijk zijn ze op te volgen. Maar, buiten dit reglement om, is de arbeid die den slaven opgelegd wordt niet overal even zwaar, 't Hangt grootendeels af van den aard der produkten, die de plantage oplevert.
De ligtste taak hebben de slaven op de houtgronden; de slavinnen hebben het daar minder goed. Ook op de katoenplantages werken de negers meestal slechts acht uur daags. Maar op de kostgronden en vooral op koffijplantages zijn zij den ganschen dag aan 't werk; in den tijd van den oogst moeten zij, na den veldarbeid, bovendien tot 's avonds tien of elf uur, en soms veel later, het produkt in den koffijmolen bewerken. Zij offeren alzoo een gedeelte van hunne nachtrust voor hunnen meester op. Maar de meeste inspanning wordt van de slaven op de suiker-plantages gevergd. Dezelfde heer kappler, die verklaart, dat ‘de arbeid der slaven niet overdreven is, en dat hij niet langer dan negen uren elken dag duurt,’ zegt toch ook, ‘dat de arbeid op eene suiker-plantage voor de negers veel zwaarder is dan op de overige, dewijl, vooral op etablissementen die met water werken, de
slaven dag en nacht moeten arbeiden.’ Hij heeft volkomen gelijk.
In Suriname rijst de vloed, drie dagen voor en na volle maan, aanzienlijk hooger, dan in den overigen tijd. Terwijl het onderscheid tusschen hoog en laag water aan de mondingen der rivieren zes en zeven voet bedraagt, rijst de vloed in den tijd van volle maan tot negen en tien voet. De stroom loopt dan veel sneller. Daarom kiest men die dagen vooral uit om te reizen, en op de suiker-plantages, die geen stoomwerktuigen hebben, wordt dan ook het riet gemalen. Men opent, als het vloed is, de sluis van 't kanaal, zoodat het water van den vloed dat kanaal vult. Heeft het water zijn hoogste peil bereikt, dan wordt de sluis gesloten. Is het water van den vloed ongeveer drie voet gevallen, dan opent men eene andere sluis, die van het kanaal het water naar den molen leidt, waar, door het uitstroomende water, een groot rad in beweging wordt gebragt, dat de werktuigen, die het riet vermorselen, doet werken. Wanneer die tijd daar is, zijn de slaven, gedurende acht of negen dagen, ruim 36 uren van de 48 bezig, en genieten zij dus bijna geen nachtrust.
Op de suiker-effekten, welke van stoomwerktuigen voorzien zijn, moet toch altoos een gedeelte der negers tot laat in den avond in het kookhuis werken en des morgens zeer vroeg weder de vuren aanleggen. Bovendien wordt de meerdere gemakkelijkheid, die zulke werktuigen den slaven aanbieden, ruim opgewogen door 't geen er tegenover staat. Immers wanneer, gelijk op vele plantages, met hout gestookt wordt, dan moeten de negers die brandstof in de bosschen kappen en naar den molen voeren, een arbeid, die bij door water gedreven molens niet in die mate wordt vereischt.
Het voorkomen der slaven op katoen- en houtgronden vergeleken met dat op koffij- en suiker-plantages bewijst, hoe veel minder op de eerste dan op de laatste van hen geeischt wordt. Daar ziet gij
velen met de teekenen van leven en gezondheid op het gelaat, met eene forsche gestalte, met verbazende spierkracht; maar hier getuigt de geheele houding der negers veeltijds van afmatting, neerslagtigheid en ziekelijke aandoeningen. Niet alleen de zware arbeid is daarvan de oorzaak, maar ook, hoe vreemd het schijnen, moge, dat de slaven, ofschoon meer werk verrigtende, er nog slechter gevoed worden; want, daar zij geen tijd hoegenaamd overhouden om iets voor zich zelven te doen, moeten zij zich met hunne ellendige rantsoenen behelpen. Wij hebben hier weder eenen bondgenoot, dien zelfs de meest hardnekkige verdediger der slavernij niet zal wraken. De heer lans zegt met zoo vele woorden: ‘Men verlieze toch niet uit het oog, dat in de tijdsomstandigheden, waaronder wij leven, alles behoort aangewend te worden, om den arbeid te verligten; de menschelijkheid en het duurzaam belang zijn het op dit punt volkomen eens. Dit betreft vooral de suiker-plantages; want indien de bevolking daar meer afnemende is dan die van de andere kulturen, moet het wel aan den zwaarderen arbeid worden geweten.’
Eenige maanden geleden waren de slaven van de katoen-plantage Potosi en de suiker-plantage Susanna'sdaal te gelijk in het binnenfort gedetineerd. Ieder, die hen daar ontmoette, werd getroffen, door het verschil van uiterlijk voorkomen dier beide slavenmagten, en een der personen, die hen dagelijks zag, werd door hen niet weinig versterkt in zijne, door een bezoek op onderscheiden plantages verkregen overtuiging, dat de slaven op suiker- en koffij-plantages het zwaarste lot hebben te verduren. Ook de heer lans heeft dezelfde opmerking gemaakt. ‘Het is’ zegt hij, ‘zeer gemakkelijk, in de kolonie zelve vergelijkingen daar te stellen. De katoen-plantages geven aan de slaven niet meer dan de noodwendige hoeveelheid bananen, omdat zij aangekocht moeten worden; de bakkeljaauw wordt er niet ruimer uitgedeeld, en
toch ziet men daar de gezondste negers en de meeste kinderen. De verfrisschende zeelucht kan daar wel eenig deel aan hebben, hoewel dit voordeel wordt, opgewogen door het brakke water. Maar er is eene andere reden voor.’ En nu vindt de heer lans die in den overvloed van krabben, die in voedzaamheid bijzonder uitmunten en welke op die katoen-plantages gevonden worden. Wij meenen echter als een der voorname redenen te mogen beschouwen, 't geen de heer lans zelf verklaard heeft: ‘indien de bevolking der suiker-plantages meer afnemende is dan van andere plantages, moet het wel aan den zwaarderen arbeid geweten worden.’
En als gij nu, dit in 't oog houdende, de ministeriële opgaven nagaat van de gronden, die in 1849 in bewerking waren, dan ziet gij, dat minstens twee vijfde met suiker, één vijfde met koffij en de overige twee vijfde met kakao, katoen, rijst, kost en hout beplant zijn. Daar nu die kostgronden nog gedeeltelijk tot suiker- en koffij-plantages behooren, mogen wij veilig als slotsom verklaren: dat twee vijfde gedeelten der slavenbevolking van Suriname eenen zwaren en hare krachten te boven gaanden arbeid verrigt; dat een vijfde zeer hard moet werken; dat hetgeen van de overige twee vijfde gedeelten geëischt wordt niet overdreven is; dat, al ware hare taak ook veel ligter, zij toch niet in evenredigheid zou staan met het voedsel, dat haar krachten tot den arbeid moet geven, en dat, door het uitsterven der slavenmagten en het veranderen van koffij- en andere effekten in suiker-plantages, de last, die op de schouders der overblijvende negers drukt, van jaar tot jaar toeneemt.
‘Maar gij vergeet iets’, hoor ik mij toeroepen, ‘de Zondagen worden aan de slaven als rustdagen toegekend, waarop geen werk van hen mag gevorderd worden. Zoo hebben de slaven dan toch twee-en-vijftig dagen in het jaar, waarop zij kunnen uitrusten.’
't Is zoo; het reglement schrijft dit voor. Vergun
echter twee opmerkingen. Vooreerst: onmiddellijk na dit voorschrift laat het reglement eene uitzondering toe: ‘Gedurende de malingen met watermolens, gedurende de koffij- en katoenoogsten, en in alle buitengewone gevallen, als dambreuken of dergelijken, zal de arbeid des Zondags wèl kunnen gevorderd worden, behoudens de verpligting des meesters, om de aldus verloren rustdagen zoodra mogelijk door even veel rustdagen te vergoeden.’ En dat van die vergunning een ruim gebruik wordt gemaakt - wie zal het ontkennen? Of echter de ‘vergoeding’ door andere rustdagen in den regel plaats heeft - wie durft het bevestigen?
Ik voorzie de gewone tegenwerping.
Maar de Surinaamsche slavenhouders zijn toch geene dwazen, zal men zeggen. Indien slechte voeding en bovenmatige arbeid in die mate bestaan als gij beweert, dan zouden die slavenhouders immers zelven de oorzaken zijn van de groote sterfte onder de slaven, en dus van hun eigen nadeel. Al zetten wij nu elke drijfveer van zedelijkheid en menschelijkheid op zij, dan nog zou het eigenbelang hen natuurlijk terug houden van eene behandeling van hun werkvolk, die oorzaak is der schrikbarende vermindering van dat werkvolk; dan nog zouden zij zich wachten van eene wijze van beheer van hun kapitaal, die dat kapitaal langzamerhand vernietigt.
Indien dit de eenige tegenwerpingen zijn tegen de waarheid van 'tgeen wij over de behandeling en den arbeid der negers in Suriname hebben gezegd, dan kunnen zij in den grond worden afgesneden. Wij hebben er reeds op gewezen. De eigenaren hebben belang bij het behoud van het kapitaal, hier de slavenmagt; maar aan die eigenaren is de zorg voor het onderhoud en den arbeid der slaven niet toevertrouwd. Die eigenaren zijn voor 't grootste gedeelte afwezig, en hebben hunne bezittingen overgegeven aan 't beheer
van ‘administrateurs’, die geen belang hebben bij het behoud van 't kapitaal. Wat gaat het hun aan, dat een slaaf sterft van gebrek? Welk nadeel hebben zij er bij, dat een neger bezwijkt onder den last, dien men hem heeft opgelegd? Hun rijkdom vermindert niet, wanneer arbeid en honger de slavenmagt decimeren. Maar dat er veel geproduceerd wordt, dat de suiker of de koffij, of wat ook de produkten zijn, niet vermindere, en dat de uitgaven gering zijn, dat er op de voeding der arbeiders zoo veel mogelijk bezuinigd wordt - ziedaar hun voordeel; ziedaar al wat zij verlangen. Zij hebben alleen belang bij de hooge renten, die het kapitaal afwerpt, al is het ook ten koste en met opoffering van dat kapitaal zelf.
Met zeer veel juistheid is dit aangewezen in een geschrift, dat uit de pen moet zijn gevloeid van den heer de veer, die langen tijd als ambtenaar in Suriname heeft doorgebragt en thans sedert eenige jaren bij het departement van Koloniën werkzaam is. Het is getiteld: Opmerkingen omtrent den Afrikaanschen slavenhandel en de emancipatie in de Britsche koloniën, met aanbeveling van middelen, om Afrika te beschaven, den bloei der West-Indiën te herstellen, en de slaven in de kolonie Suriname te emanciperen. 's Hage 1848.
Volgens dien schrijver zijn te Curuçao de eigenaren op de plaats woonachtig, meestal te midden van hunne slaven, en is het daaraan toe te schrijven, dat het lot der negers er dragelijk en de sterfte veel minder is. Immers de eigenaar zorgt, dat de slaven goed gevoed worden, en dat hun geen overmatige werktaak wordt opgelegd. ‘De Curaçaosche planter’ zegt de schrijver, ‘handelt hier niet louter uit menschlievende beginselen, maar hij verstaat zijn eigenbelang en begrijpt, dat het verlies van elken slaaf eene vermindering veroorzaakt van zijn kapitaal en van zijne renten, terwijl de aanwas zijner slaven een en ander verhoogt.
‘Geheel anders is dit in Suriname, waar de meeste eigenaren, afwezig zijnde, het beheer hunner planta-
ges hebben overgedragen aan zoogenaamde ‘administrateuren’. Deze, tijdelijk met het beheer belast, hebben geen dadelijk belang bij de instandhouding van het hun aanvertrouwde goed; des te meer echter bij de vermeerdering van de opbrengst van den landbouw, waarvan zij 10% van de onzuivere waarde genieten.
‘De slaven worden tot het uiterste aangedreven, om produkten te maken. Bezwijken zij onder dien last, dan dringt de administrateur bij den afwezigen eigenaar aan, om anderen te koopen; en vermindert de magt slaven tot beneden zeker peil, dan bewerkt hij, dat de slaven, afgezonderd van de plantage, verkocht, of naar eene andere plantage overgebragt worden. Op die wijze hebben wij sommige suiker-plantages, in het tijdsbestek van vijf en twintig jaren, tot vier slavenmagten zien verslinden, terwijl een aantal schoone plantages daardoor zijn verlaten’.
Het is inderdaad jammer, dat door dit uitsterven der slaven, als een gevolg hunner uitputting, de landbouw en nijverheid der kolonie groote schade lijden. Maar mij dunkt, er is nog eene andere reden voor eene Christen-natie, om zulk een verschijnsel te betreuren. Bedenk, volk van Nederland, dat, door de slechte behandeling en den zwaren arbeid, die onder Nederlandsche wetten plaats grijpen, honderden menschen jaarlijks van ellende en uitputting bezwijken. In vijf-en-twintig jaren verslinden sommige suiker-plantages vier slavenmagten! Begrijpt gij wat dat zeggen wil? Vier malen moet een aantal van honderd of twee honderd negers vernieuwd worden, omdat zij grootendeels zijn uitgestorven als een gevolg van den zwaren arbeid, die al hunne krachten verslindt, en van de gebrekkige voeding!
‘Waren de eigenaren op de plaats woonachtig, dan zouden zij zorgen, niet alleen voor toereikend en gezond voedsel voor hunne slaven, maar ook voor de overige materiële belangen der negers, zoo als: matige werktaken, gezonde woningen, geneeskundige behan-
deling en oppassing der zieken, kraamvrouwen en jonge kinderen. Een en ander wordt schromelijk verwaarloosd door den administrateur, die slechts op eene zaak acht geeft, het maken van produkten, waarvan hij zijn ruim aandeel geniet’ Inderdaad, meer onverbloemd en onbeschroomd dan in deze woorden kan de waarheid niet gezegd worden. En opdat men zich niet zou vergissen, opdat men wel degelijk de waarachtige oorzaken van de ellende der negers mogt kennen en waarderen, voegt de schrijver er nog bij: ‘De slotsom van ons onderzoek is, dat niet het klimaat, maar de slechte behandeling der slaven in Suriname de oorzaak is van hunne vermindering; en dat die behandeling hoofdzakelijk toe te schrijven is aan de afwezigheid der eigenaren en aan de stelsels, door de administrateuren aldaar ingevoerd.
De zaak, die wij hier behandelen, is van zoo veel gewigt, dat wij ons genoopt zien, nog eene autoriteit aan te halen om haar te bevestigen.
Eenige jaren lang is te Utrecht een Tijdschrift verschenen onder den titel van: Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën, bijzonder betrekkelijk de vrijlating der slaven.
In dat hoogst belangrijk periodiek geschrift, waarvan de redaktie was opgedragen aan Mr. j. ackersdyck, Mr. p.a. broers, Mr. w.j. van hoytema, Dr. s.a. rueb, Mr. j. hora siccama en Mr. g.w. vreede, lees ik de volgende woorden, door die redaktie zelve geschreven:
‘Het vraagpunt kan niet wel betwijfeld worden, dat de meerdere sterfte der slavenbevolking aan de mate en de soort van den arbeid en aan de behandeling der slaven in het algemeen moet worden toegeschreven. Het is door hen, die het best met de kolonie bekend waren, onder anderen door den geneesheer kühn, omstandig bewezen; en het blijkt ook daaruit, dat de sterfte bijzonder op de suiker-plantages werd opgemerkt, niet op de houtgronden en katoen-planta-
ges, waar de arbeid minder zwaar en minder schadelijk is. Tot betoog, dat de hoeveelheid van den arbeid, dien men van de slaven vergt, niet te groot is, wordt gewoonlijk beweerd, dat de vrije werkman in andere landen nog meer arbeid verrigt. Doch juist in dien verschillenden toestand van den werkman is de verklaring van dit verschijnsel (indien het plaats heeft) te zoeken. Het is eigen aan de slavernij, dat zij den arbeid zoo hard doet vallen; terwijl vrijwillige arbeid niet zelden ligt volbragt wordt. In Noord-Amerika, waar de bevolking in het algemeen buitengewoon vlijtig is, werken de slaven in evenredigheid zeer weinig, en de meesters stemmen toe, dat het onmogelijk zijn zoude, ook met de strengste middelen, van de slaven zoo veel arbeid te verkrijgen, als in de naburige staten de gewone werklieden verrigten. Zelfs de poging daartoe zoude in korten tijd de slavenbevolking vernietigen. De slaaf bezwijkt onder den last, dien de vrije man zonder nadeel draagt. Het is eene der vele redenen tegen de slavernij; doch zoo lang men nog slaven heeft, moet men zich wel met weinig arbeid vergenoegen, of men verwoest het leven der slaven’.
Maar de Surinaamsche slavenhouders willen zich niet met weinig arbeid vergenoegen, en daarom verwoesten zij het leven der slaven.
Hun roepen wij, met het oog op de verpleging en den arbeid hunner arme negers, de woorden der H. Schrift toe:
‘Ziet de loon dor arbeiders, die uwe landen gemaaid hebben, welke gij hun onthouden hebt, schreeuwt, en de kreet dergenen, die voor u geoogst hebben, is gekomen tot den Heer der heirscharen!’
einde van het eerste deel.