terug  begin 
[p. 233]

Naschrift.

't Heeft mij, tot mijn leedwezen, aan de gelegenheid ontbroken, om zelf het opzigt te houden over den tweeden druk van dit werk, dien de uitgever verpligt is geweest gereed te maken. Had ik er maar eenig vermoeden van gehad, dat binnen zoo weinige maanden de eerste zou zijn uitverkocht, ik had er, bij de regeling mijner werkzaamheden, op gerekend, dat een gedeelte van mijnen tijd moest bestemd worden tot het nazien en verbeteren van dit boek. Thans is mij dat onmogelijk geweest, en heb ik zelfs de korrektie der drukproeven aan anderen moeten overlaten.

Al wat ik gedaan heb, bepaalt zich tot een verzoek aan mijnen geachten vriend, den uitgever, toen hij tot mij kwam met het berigt, dat er geene exemplaren van Slaven en Vrijen meer voorhanden waren. Ik drong bij hem aan, om nu eene zeer goedkoope uitgave gereed te maken, opdat het werk meer algemeen onder het volk verspreid mogt worden, door ook onder 't bereik te zijn van hen, die geene dure boeken kunnen koopen. Aan dat verzoek is voldaan, en daaraan is de verandering toe te schrijven, die 't boek in zijne uiterlijke gedaante onderging.

Overigens is de inhoud van dezen tweeden druk volkomen gelijk aan dien van den eersten, op ééne uitzondering na.

[p. 234]

Op blz. 242 en 243 der eerste uitgave had ik het volgende geschreven: ‘Onder de kleurlingen vindt gij zeer beschaafde en kundige menschen, die noch in geestontwikkeling, noch in eenig ander opzigt bij den Europeaan ten achter staan, menschen, die met eere betrekkingen bekleeden, waartoe wetenschappelijke vorming vereischt wordt, en waarvan sommigen regtsgeleerden, geneesheeren en gouvernements-ambtenaren, anderen officieren bij de marine en het leger, weder anderen plantage-eigenaars en kooplieden, en nog anderen bekwame ambachtslieden zijn. Zoo heeft een lid van het geregtshof, zelf kleurling en slaaf geboren, eene brochure geschreven over de emancipatie der slaven. Zoo behoort tot die zelfde kleurlingen en geboren slaven een kundig botanist in Suriname, die zelfs eene Europesche vermaardheid bezit. Zoo was een onlangs overleden geneesheer, die het algemeen vertrouwen genoot, in zijne jeugd slaaf en “voeteboi” bij een geneesheer geweest. Aan dit ras zal men dus, zonder zich aan het verdedigen eener onwaarheid en ongerijmdheid schuldig te maken, eenen voortreffelijken aanleg niet mogen ontzeggen’.

Een vernieuwd treffend bewijs, hoe groot nog het vooroordeel in Suriname is, ontving ik dezer dagen, juist naar aanleiding van dit gedeelte van mijn boek. Mij dunkt, niemand kan 't geen hier omtrent dat lid van 't geregtshof en dien botanist en dien geneesheer gezegd is, in eenen anderen zin opvatten, dan hoogst loffelijk voor deze heeren. En ziet - toch heeft men daarin gezien eene krenking! ‘Gij hebt hen, zij het dan ook zonder kwade bedoelingen, op valsche, misschien wel vijandige berigten, in het openbaar gekrenkt!’ zoo schreef men mij uit Paramaribo. En waarin bestaat die krenking? Het lid van 't hooggeregtshof en de botanist zijn niet ‘geboren slaven’, maar van moederszijde afstammelingen van slaven. En de geneesheer was wel slaaf geboren, maar zeer jong gemanumitteerd, en toen niet als ‘voeteboi’ maar als leerling bij eenen geneesheer geplaatst.

[p. 235]

Ik heb mij gehaast deze veranderingen, in 't geen ik over die heeren gezegd heb, op blz. 226 van dezen druk te brengen - maar ik heb daardoor tevens den lof, dien ik hun heb toegebragt, eenigzins verminderd. Of was het voor hen geen eerzuil, waarop ze roemen mogten, dat zij, in weerwil van de ongunstige omstandigheden en ofschoon behoorende tot een ras zoo algemeen en diep veracht als in Suriname de slaven, zich tot die uitstekende mannen hebben ontwikkeld, als ik hen heb voorgesteld? Naarmate nu die omstandigheden minder ongunstig waren, wordt ook iets afgenomen van de lofrede die ik op hen hield. Maar 't argument, dat ik uit deze feiten ontleende, blijft in zijne volle kracht, want zijn twee hunner dan ook niet ‘geboren slaven’, zij zijn toch kleurlingen, en ik wilde uit de voortreffelijke eigenschappen, die hen versieren, bewijzen, dat men zich aan eene onwaarheid schuldig maakt, als men aan dat ras eenen voortreffelijken aanleg wil ontzeggen.

Ziedaar wat mij aanleiding heeft gegeven, tot dit korte naschrift. Ik eindig met den wensch, dat dit boek, 't welk, onder Gods zegen, reeds in menig hart afkeer en afschuw van de slavernij heeft opgewekt, zijne reis door Nederland mag vervolgen, en zoodanig dien afschuw moge voortplanten, dat de handhaving der slavernij onmogelijk wordt!

 

's Hage,

11 April 1855.
v. hoëvell.

terug  begin