§. 2. De poëzy is de taal der godenDe poëzy is de taal der goden; aldus genoemd om haare
kunstryke afwyking van de natuur en van de gewoonlyke menschlyke spraak. St.
Evremond zegt: ‘De poëzy, die met een levendige omschryving de wonderen van 't heelal afschildert, verheft de gantsch natuurlyke zaken als boven de natuur, door een verhevenheid van gedagten, en een heerlykheid van redeneeringen, die regtmatiglyk de taal der goden kan genaamt worden’ (Mengelwerk., Deel I, bl. 214) 5 . En Voltaire beschryft de poëzy, als eene kunst ‘die eertyds alleen werd uitgevonden, om de aarde te onderwyzen, en om den hemel te loven; en welke om die reden de taal der goden geheten werdt’ (Gedagt. van den Heere de Voltaire, Deel II, bl. 105) 6 . En zeker te recht, want zo onverbloemd en natuurlyk het prosa spreekt, zo verbloemd en kunstryk uit zich de poëzy. Zegt, by voorbeeld, het prosa de zon; de poëzy heet haar:
Spreekt de prosaïst van de starren; de dichter spreekt van:
of van:
Zegt het prosa de zee; de poëzy zegt:
of wel:
|
5 Charles de St. Evremond (1616-1703):
Mengelwerken. In Hoffhams Prenzlauer boekerij was aanwezig:
‘Mengelwerken v. St Evremond 4 D. Amsterdam 1745’, maar dit werk is
zo niet in openbaar bezit gecatalogiseerd. In St. Evremond, Uitgeleze
Keur-stoffen, een vertaling van
Gerard Westerwyk, te Amsterdam, bij
Jacobus Loveringh, 1738 (UBA OK 73 649-652), past dit citaat
bij deze noot niet op p. 214, eventueel wel op p. 124, maar is ook daar niet te
vinden. Zie noot 106.
6 Voltaire (1694-1778): Gedagten getrokken uit
de werken van den heere de Voltaire, Rotterdam, bij Dirk Vis, 1767
(vertaald naar Pensées philosophiques de M. de Voltaire), II, p.
105. UBA 277 E 12.
7 Vondel, Joost van den (1587-1679),
Leeuwendalers, r. 1685-1686 (WB V, p. 340). In deze noten worden de
Vondel-citaten zoveel mogelijk vergeleken met en gelocaliseerd in de
Wereldbibliotheek-uitgave (hier verder WB).
8 Eneas VI, r. 682 (WB VI, p.
713).
9 J.V. Vondels Poëzy. Eerste Deel en
Tweede Deel, Franeker, bij Leonard Strik, 1682. KB 759 E 1. In deze
noten worden de door Hoffham uit Poëzy I en II geciteerde regels
zoveel mogelijk geïdentificeerd naar het gedicht waarin ze voorkomen. Hier
betreft het de ‘Verovering van Grol’, r. 634 (WB III, p.
147).
10 Eneas VI, r. 1081 (WB VI, p.
733).
11 Ovidius' Herscheppinge I, r. 157 (WB
VII, p. 409).
|
|
Spreekt de prosaïst van milt en lever; de poëet noemt:
Zegt het prosa zeer eenvouwdig: het was den acht en twintigsten october; zo spreekt de poëzy:
Zegt de prosaïst: vyf en veertig jaaren en vyf maanden; de dichter uit zich:
Daar nu het nederig prosa de taal aller menschen is (§. 1.), heeft men billyk goedgevonden, om de verhevene poëzy de taal der goden te noemen. Zulks deed den Grieken zeggen: De stervelingen heeten dit voorwerp alzo; maar dus noemen het de goden. (Men leeze hieromtrent Ramlers Einleitung in die schönen Wissenschaften, Band I, Seite 189 u.s.w.) 15 . De schimper Holberg, wel is waar, uit zich volgenderwyze: ‘Het eenig onderscheid tusschen eenen poëet en bedelaar is, dat de eene in vaerzen, en de andere in ongebonden styl bedelt. Men zegt voor een spreekwoord: de taal der poëeten is de taal der goden; maar de taal der advocaaten mogt beter dien naam voeren, want hunne woorden kosten geld, en geen derzelven valt vruchteloos ter aarde.-- |
12 Maria Stuart, r. 211-212 (WB V, p.
177).
13 ‘Tytdicht op de grondtsteenlegging van
't Stadthuis t' Amsterdam’, r. 1 (WB V, p. 371).
14 ‘Treurdicht van Hendrik den
Vierden’, r. 177 (WB I, p. 157).
15 Karl Wilhelm Ramler, (1725-1798), huisleraar
in Löhme in 1746-1747 en van 1748 tot 1790 filosofieprofessor aan de
Kadettenschool in Berlijn: Einleitung in die schönen Wissenschaften,
nach dem Französischen des Herrn Batteux, Leipzig, Weidemann, 1756,
Deel I, p. 189: ‘Die Sterblichen nennen dieses Ding also, aber mit diesem
Nahmen nennen es die Götter’. KB 1295 F 67.
|
|
De hoofdzaak van den advocaat, zo wel als die van den poëet, bestaat in 't liegen (§ 19.); maar, al kunnen zy dit beiden, zy doen 't niet met gelyken uitslag’ (Deensche Wysg. Deel II, bl. 128, enz.) 16 . -- Doch de uitspraak van dien spotter heeft hier geen gezag; en naardien wy eene Theorie der Nederduitsche poëzy willen schetsen, zal Vondels uitspraak beter klemmen: aldus spreekt hy: ‘Een dichter behoort hemelval en de spraek der goden te spreeken. De hemelsche poëzy wil niet op den middeltrap, maer moet in top staen, en op den toetssteen van een beslepen oordeel proef houden, naer de wetten by de geleerden daartoe voorgeschreven’ (Aenleidinge ter Nederd. Dichtkunste) 17 . -- Van deeze wetten en derzelver toepassing staan wy te handelen. |
16 Ludvig Holberg (1684-1754, Deens
hekeldichter): De Deensche wysgeer (vertaling van Ludvig Holbergs
Spectator Moralske Tanker), Amsterdam, bij Tjeerd Bliek, 1754, nr 429).
KB 1016 F 147.
17 (nadere plaatsaanduiding ontbreekt):
Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste (WB V, p. 490-491, r.
213-217).
|