§. 6. Hen die vaerzen maaken noemt men dichtersHen die vaerzen maaken noemt men dichters, of poëeten. Dit behoefde ik naauwlyks te zeggen, indien de juiste orde myner Theorie zulks niet vereischte. Men weet het overvloedig, een poëet of dichter is een kunstenaar, wiens taak en talent is vaerzen te maaken, geschikt naar den eisch en smaak van zynen landäart: en Halma, in zyn Woordenboek, omschryft het woord Dichter zeer naauwkeurig, als Vaerzemaaker, Poëet 30 . Tusschen den vaerzenmaaker en dichter is derhalve geheel geen onderscheid, dan alleenlyk dat der subordinatie (§. 39. en §. 72.). Geduurende alle eeuwen, en onder alle hemelstreeken, heeft men dichters gehad, of lieden die vaerzen maakten; en, om van andere beschaafde landen niet te gewaagen, ook ons Nederland is van oudsher zeer vruchtbaar geweest in het kweeken van letterkunstenaars van dien aart: ‘want van aller geheuchenisse af,’ zegt Commelin, ‘zyn in verscheiden plaatsen van Nederduytslandt, en insonderheyt in Holland, zekere dichters geweest, den ouden Barden niet |
30 François Halma (1653-1722), drukker en
uitgever in Leeuwarden: Woordenboek der Nederduitsche en Fransche talen,
derde druk, Leiden, bij Jacob de Wetstein - Utrecht, bij Jacob van Poolsum,
1758. Halma schrijft: ‘Digter: Vaarzemaker, poëet’. KB 4017
B 37.
|
|
ongelyk, onder de gedaante der letterkonstenaars, die zich zelven niet oneygentlyk den naam van Rederykers toepasten. De plaatsen daar dese dichteren hun versameling hielden, wierden kamers, en de leden der vergadering ook Kameristen genoemt. -- Uyt het midden van dese vergadering zyn de uitnemende Hollandse Dichteren voortgekomen. Hier heeft de Drost en Ridder P.C. Hooft zyn eerste heldenzangen geschreven; hier heeft Vondel zyn treurspelen gedicht, enz.’ (Beschryving van Amsterdam, bladz. 658 en 659) 31 . Maar gelyk elke natie omtrent het vaerzenmaaken haar' eigen' smaak bezit, zo was vooral die der oude Grieken en Romeinen zeer verschillende van den onzen. Hunne vaerzen bevatten meer het ruwe en prosaïsche deel der poëzy, terwyl zy het waare schoone der kunst verwaarloosden of niet kenden. Die barbaaren hadden dus ligt vaerzen te maken; en het is een wonder, dat men hunne poëeten nog leest. Onze Neêrduitsche vaerzen, gelyk wy vervolgens zullen zien, verwerpen den gebrekkigen dichtgang der ouden, en vereenigen den beschaafden kunstryken trant en het welluidend rym; hoedaanigheden, die ons vaerzenmaaken oneindig bevalliger, maar ook ongelyk moeijelyker, dan dat der Grieken en Latynen maaken. De Kosmopoliet zegt: ‘Mooglyk is 'er geen land daar de dichtkunst meer beoefend word, dan in het onze’ (Deel II, bl. 206) 32 . Wyl echter de kunstryke vaerzenmaaker boven |
31 Casparus Commelin (1636-1693), Beschryvinge
van Amsterdam, Amsterdam, bij de Wed. Aart Dirksz Oossaan, 1694. (Commelin
schrijft: ‘uitnemenste’). KB 62 C 11.
32 Het spectatoriale tijdschrift De Kosmopoliet
of Waereldburger verscheen in Amsterdam bij de weduwe van David Klippink in
105 nummers in de jaren 1776 en 1777; dit citaat is terug te vinden in nr 79
van 30 juni 1777 (afwijking: geen komma na ‘word’). UBA O
91-11-12.
|
|
den naakten dichter zeer uitmunt (§. 39.): zo maakt de Hollandsche Spectator, daar hy op de subordinatie let, onze Neêrduitsche poëeten een by uitstek streelend kompliment, terwyl hy zich aldus uit: ‘Ik gelove niet dat 'er in een land van de waereld, zo veel, ik zeg niet Digters, maar Vaerzemakers gevonden worden, als in 't onze’ (Deel I, bl. 268) 33 . Voor het overige vind men onder de poëeten puik- en puiks-puikdichters (§. 63.). |
33 De Hollandsche Spectator, uitgegeven
1731-1735 door Justus van Effen in 360 nrs. Hoffham gebruikt de bundeling
uitgegeven bij Van Tongerlo en Houttuin in 1756. KB 494 F
1-3.
|