§. 7. Het vaerzenmaaken is eene byzondere kunst

Het vaerzenmaaken is eene byzondere kunst, en heeft zekere wetten, welke men moet kennen en zich daaraan onderwerpen, indien men naar den lauwer der poëeten wil dingen.

‘Zyn moedertaal in vaerzen, overal zuiver, en zo onbedwongen, als in onrym schryven, zonder dat 'er moeite in schynt gedaan om te rymen; nooit harde of duistere vaerzen te maaken:’ -- dit zyn vereischten, gelyk de heer Nomsz in zyn voorbericht voor Zoroaster  34  , wél zegt, die van een' goed' vaerzenmaaker gevorderd worden; maar waarlyk het zyn vereischten, die eene uitsteekende kunst daar stellen. ‘Men ontmoet in ieder woord belemmeringen, wanneer men de maat en de welluidenheid in de vaarzen brengen wil;’ zegt Du Bos in zyne oordeelkundige aanmerkingen (Deel I, bl. 365)  35  .

De byzondere kunst van het vaerzenmaaken, is

 34  Joannes Nomsz (1738-1803, koopman en productief toneelschrijver, eerst vermogend, na 1783 maatschappelijke neergang), Zoroaster, Amsterdam, bij Izaak Duim, 1768, [p.II]: (Nomsz heeft: ‘in onrym te schrijven’). UBL 1094 E 21:1.
 35  Du Bos, Oordeelkundige aanmerkingen, Deel I, p. 365.


[p. 17]

het onderwerp deezer proeve. Reeds hebben wy gezien (§. 6.), dat onze Neêrduitsche poëzy haaren oorsprong heeft van de rederykers en kameristen, en

     't volk, in liefde ontsteeken
 Ter dichtkunst, wilde ook die geneuglykheid den leeken
 Deelachtig maaken, dies men door gansch Nederland
 Vergaderplaatsen tot dien einde heeft geplant;
 Wier kunstgenooten zelf zich Rederykers noemden,
 En met zinspreuken, en blaazoenen zich beroemden
 Elk van de meeste liefde, en zucht tot deeze kunst.
 ( A. Pels, Dichtkunst, bladz. 30)

By gevolg heeft men by deeze eerste vaderlandsche poëeten den grondslag en het wezen onzer poëzy, zo als zy zaaklyk nog bestaat, te zoeken:

 't Zyn de ouden, na wiens voorgaan, als langs trappen,
 Men op moet stygen tot de top der weetenschappen.
 Zy zyn de vinders, zy, de vaders van 't gedicht.
 (Bladz. 27)

De kunst zelve van het vaerzenmaaken in alle haare deelen, moet een kandidaat der poëzy in de voorhandene werken onzer rederykers en dichters studeeren:

 En hier schreef Spiegel zyn' Hartspiegel, vol verstand,
 Zyn zuivre moedertaal eerst zettende in de zetel.
 Hem volgden Korenhart, Plemp, Visscher, Koster, Ketel,
 En Breederode, met Kamphuizen, en Reaal,
 En Hoofd en Vondel, puik van schryvers altemaal.
 (Bladz. 32)  36  

Eene zeer nuttige handleiding tot de kunst, vind de leerling in de aangehaalde Dichtkunst van A.

 36  Pels, Dichtkunst, r. 805-811; r. 709-711; r. 840-844.


[p. 18]

Pels, vooral bladz. 5 tot 10. Wenscht men echter een volledig begrip van het fyne en kritieke deezer kunst te erlangen, zo leeze men het geen Huydecoper in zyne Proeve van Taal- en Dichtkunde, nopens all' wat tot trant en rym behoort, in het breede opgeeft; voornaamljk bl. 141-152. bl. 175-190. bl. 597-606. en bl. 610-618  37  . Men zal zeker verbaasd staan, over de oneindig veele zwaarigheden welke met die behendige kunst verknocht zyn; en men zal niet kunnen nalaaten zich zeer te verwonderen, dat 'er nog onder ons zoveele kunstenaars gevonden worden, die men dichters heet. Want waarlyk, men heeft op duizend kleinigheden te letten, duizend onmerkbaare Nuancen te verbinden en onderling te doen smelten, om fraaije en boven het middelmaatige (§. 41.) verhevene vaerzen te leveren.

 37  Huydecoper, Proeve van taal- en dichtkunde.Zie noot 26.