§. 9. De poëzy verbind het dichten en vaerzenmaakenDe poëzy verbind het dichten en vaerzenmaaken. Dit zegt met andere woorden niets anders, dan dat de poëzy prosa in vaerzen is (§. 3.); want indien wy het prosa, 't welk wy dichtten, in vaerzen brengen, zo word poëzy daaruit geboren. Elk vaers is dus als een disteleerkolf aantemerken, in welke de taal der menschen tot godentaal gestookt en overgehaald word; en indien men de poëzy, door het vernietigen der vaerzen, dissolveert, ontstaat daaruit wederom prosa. De poëzy verbind dan het dichten en vaerzenmaaken, zonder dat
echter het dichten eenen noodwendigen invloed op het vaerzenmaaken hebbe. De
inhoud der vaerzen is eene gantsch toevallige eigenschap, en heeft geen
onmiddelyke betrekking tot hun wezen zelf; want de inhoud van allen is prosa
(§. 3.), en in prosa word alles gezegd (§. 1.). Het onderwerp der
vaerzen is derhalve even zo willekeurig, als de ordonnantie in een
schilderstuk. Ook doet de stoffe niets ter zaake, ten aanzien der waardy van
vaerzen, als loutere vaerzen: deeze zyn, van kunstwegen, goed of slecht,
vloeijend of hard, hoewel ze niets meerder noch niets minder dan vaerzen kunnen
zyn. Verhevene of laage gevoelens, oorsprongklyke of geborgde gedachten, sierlyke of platte uitdrukkingen, en alzulke verschillende eigenschappen meer, beslissen enkel ten voor- of nadeele van den prosaïschen inhoud der poëzy, maar geenszins ten voor- of nadeele der vaerzen. De vaerzenzelve zyn ondertusschen de waare bestanddeelen der poëzy; zy zyn haar zelfstandig sieraad, en het starrenkleed waarmede de poëeten haar omgorden, indien ze zich anders onderstaan om die hemelschoone af te schetsen:
|
40 Jan van Hoogstraten (1662-1736),
Mengel-Poëzy of verscheide Gedigten, 5 delen, Amsterdam, bij
Johannes van Leeuwen, 1714-1720, in het gedicht ‘De poezy of digtkunde,
na de afbeelding van Caesar Ripa’, r. 7-15. KB 839 F 2.
|