[p. 25]

§. 12. De dichtstoffe is het prosaïsche deel der poëzy

De dichtstoffe is het prosaïsche deel der poëzy (§. 3.), en derhalve kunstloos (§. 10.). Men kiest daartoe wat men wil, bearbeid haar naar goeddunken, smaak en vermogen, en vormt daarvan zodanig een dichtstuk als men goedvind. Het gewrocht zal zéker behaagen, indien de vaerzen, die zulks uitmaaken, kunstig en onberispelyk zyn; de dichtstoffe zelve moge voor het overige goed of kwaad, geestig of ongerymd wezen. Niet slechts weinig beduidende, maar zelfs de om hunne kunstryke vaerzen beroemdste dichtstukken, zyn van de kant der dichtstoffe dikmaals zeer armhartig en bespottelyk.

Waar vind men, by voorbeeld, iets ongerymder dan Ovidius Herschepping? ‘Juno zegt den oppersten God Jupyn allerhande zotheid: Jupiter zit verlegen, verklaart 'er geen gat in te zien, als 't op het redden van den hemel aankomt; en de hemelraad zegt hem, dat hy eindelyk naar zyne hielen zal moeten omzien. Een fraai afbeeldzel van den oppergod!’ (De Rhapsodist, Deel I, bl. 185, enz.)  49  .

‘Tasso doet tien Christen prinsen in vissen veranderen, en een pappegaai liedjes van zyne eigen vinding zingen. Hy spreekt van een Christen toveraar, die Reinout uit handen van een der Turksche toveraars los maakt: Usbaldus en zyn makker komen by een ouden heiligen toveraar, die hen tot in het middelpunt der aarde geleid, daar de ridders op de oevers van een

 49  De Rhapsodist (1771-1783, Amsterdam, bij Pieter Meijer, medewerking van Uylenbroek en Lublink de Jonge), I, p. 185-186-187 (afwijkingen: ‘Hemel’, ‘Hemelraad’, ‘Opper-God’). KB 367 C 24.


[p. 26]

beek wandelen, op geen minder steenen dan die men edel noemt: hier van daan raken zy by een oud wyf te Askalon, die hen in een klein schuitje naar de kanarische eilanden zend: zy kwyten zich als mannen in hun gezantschap, en brengen Reinout te rug’ (bl. 186).

‘Milton heeft een gedicht gemaakt, waarvan de duivel de held is. -- De duivelen spelen by hem op den oever der helsche stranden op de harp, steeken naar den ring, twisten over de genade en 't voorbeschik. Ondertusschen reist de opperhelvoogd door de denkbeeldige ruimtens; hy struikelt, valt in het ledige, en zou van nu tot in eeuwigheid vallen, was hy niet in een wolk beland, die hem weder te recht bragt. Hy ontmoet in het paradys der gekken de aflaten, monnikskappen, enz.’ (bl. 187)

En, om niet te ruim uit te weiden, aldus is de dichtstoffe der vermaardste heldendichten (ik zwyg van mindere poëetische werken) veeltyds dwaas en grillig. Zyn niet Vondels Altaargeheimenissen  50  , is niet Antonides Ystroom  51  , louter onzin? -- Hoogvliets Abraham de Aartsvader  52   ‘krielt immers van ongerymdheden! Die aartsvader is wel een misselyke held: hy tracteert hemelsche engelen op pannekoeken; en de dichter doet een raad vergaderen, met geen ander oogmerk, dan om te doen uitroepen: Lang leve de Majesteit!’ (Bl. 185). En eindelyk, wie is blind omtrent den David en Germanicus van Mevrouw van

 50  Altaer-geheimenissen (WB IV, p. 641-826).
 51  Joannes Antonides van der Goes (1647-1684), Ystroom (1671), navolging van Vondels Rijnstroom. Zie noot 77.
 52  Arnold Hoogvliet (1687-1763), Abraham de Aartsvader in twaelf boeken, Rotterdam, bij Jan Daniel Beman, 1728 (11de druk in 1792). KB 3021 D 36.


[p. 27]

Winter  53  , den Gideon en Claudius Civilis van den heer van Steenwyk  54  , en soortgelyke vaderlandsche dichtwerken?

 53  Lucretia Wilhelmina (van Winter-) van Merken (1721-1789), David, in Twaalf Boeken , Amsterdam, P. Meijer, 1767. KB 141 C 2. Van dezelfde: Germanicus, Amsterdam, P. Meijer, 1779. KB 199 D 7.
 54  Frans van Steenwijk (1705-1788) schreef twee heldendichten: Gideon (1748) en Klaudius Civilis, in zestien zangen, Amsterdam, bij Pieter Meijer, 1774. KB 145 E 25.