§. 18. Dichtönderwerpen zyn gemeenlyk praat

Dichtönderwerpen zyn gemeenlyk praat; want die onderwerpen heeft de poëzy met het nederig prosa gemeen (§. 1.): en ook dit getuignis geeven de dichters zelven van hunne vaerzen. Niet slechts Dokter Windmolen is myn waarborg:

 Myn heer, 'k ben van een' geest bezeten,
 Heel anders als veel prulpoëeten;
 Ik kan naauw spreeken buiten maat,
 Zulks kan je hooren aan myn praat.
 (Het koffyhuis, Kluchtspel, tooneel II)  98  

maar ook Pels, die leermeester der poëzy, wyst even deezen grondslag aan, in de reeds aangehaalde vaerzen:

 De stof eens blyspels zal men ligt uit alle hoeken,
 Uit avontuurtjes van oude almanakken zoeken; --
 Zy doet zich honderdmaal van zelf op in de praat:
 (Gebr. en Misbr. des tooneels, bl. 50)  99  

en De Decker, daar hy van het gedrag der poëeten spreekt, zegt van hun, dat zy

     meer vlyts en arbeid doen,
 Om hunnen praat na maat te vormen, als hun doen.
 (Lof der geldzucht, bl. 119)  100  

Zo zegt Antonides:

 Maar ik durf geen praat meer wagen,
 Want de bruigom wil naar bed.
 (Bruiloftsdicht, bl. 128)  101  

 98  Willem van der Hoeven, toneelspeler en -schrijver: Het koffyhuis, kluchtspel, bij Izaak Duim, 1734, elfde Toneel, p. 16. KB 851 D 52.
 99  Pels, Gebruik en misbruik, r. 1265-1266 en 1271 (zie noot 45).
 100  De Decker, Lof der geldsucht (daar andere spelling: ‘arbeydt’, ‘praet’, ‘maet’, ‘hunn’).
 101  Antonides, Gedichten, ‘Ter Bruilofte van Dionys vander Schuuren en Anne Marie Lups’, laatste regels (daar andere spelling: ‘praet’, ‘naer’).


[p. 38]

Zo heet het ook:

 my trouw te dienen met uw' raad,
 Of te vermaaken met uw aangenaame praat;
 (Laurens Bake)  102  

en die praat is de inhoud van een' deftigen herderszang. Even dus:

 Maar, schreeuwt men weêr, waar voert uw drift u heenen?
     Waarheen met al deze ydle duivepraat?
     Gy zyt al mede in een bedurven staat:
 Een lierpoëet gaat op gebroke beenen.
 (J. van Hoogstraten, Mengelpoëzy, Deel II, bl. 155)  103  

en dees duivepraat is een gedeelte van een fraai lierdicht.

 102  Laurens Bake, Heer van Wulverhorst (1650-1702): Mengel-Poëzy, Amsterdam, bij Pieter Visser en Jan Hartig, 1737: ‘Herders verjaarzang’, p. 94, r. 5-6.KB 760 E 18.
 103  Jan van Hoogstraten, Mengel-Poëzy: ‘Gunst, en tydverzuim, of Lisidas gehekelt en geholpen’.