§. 18. Dichtönderwerpen zyn gemeenlyk praatDichtönderwerpen zyn gemeenlyk praat; want die onderwerpen heeft de poëzy met het nederig prosa gemeen (§. 1.): en ook dit getuignis geeven de dichters zelven van hunne vaerzen. Niet slechts Dokter Windmolen is myn waarborg:
maar ook Pels, die leermeester der poëzy, wyst even deezen grondslag aan, in de reeds aangehaalde vaerzen:
en De Decker, daar hy van het gedrag der poëeten spreekt, zegt van hun, dat zy
Zo zegt Antonides:
|
98 Willem van der Hoeven, toneelspeler en
-schrijver: Het koffyhuis, kluchtspel, bij Izaak Duim, 1734, elfde
Toneel, p. 16. KB 851 D 52.
99 Pels, Gebruik en misbruik, r.
1265-1266 en 1271 (zie noot 45).
100 De Decker, Lof der geldsucht (daar
andere spelling: ‘arbeydt’, ‘praet’,
‘maet’, ‘hunn’).
101 Antonides, Gedichten, ‘Ter
Bruilofte van Dionys vander Schuuren en Anne Marie Lups’, laatste regels
(daar andere spelling: ‘praet’, ‘naer’).
|
|
Zo heet het ook:
en die praat is de inhoud van een' deftigen herderszang. Even dus:
en dees duivepraat is een gedeelte van een fraai lierdicht. |
102 Laurens Bake, Heer van Wulverhorst
(1650-1702): Mengel-Poëzy, Amsterdam, bij Pieter Visser en Jan
Hartig, 1737: ‘Herders verjaarzang’, p. 94, r. 5-6.KB 760 E
18.
103 Jan van Hoogstraten,
Mengel-Poëzy: ‘Gunst, en tydverzuim, of Lisidas gehekelt en
geholpen’.
|