§. 22. De vaerzen zyn het kunstigste en wezenlykste deel der poëzyDe vaerzen zyn het kunstigste en wezenlykste deel der poëzy; want zy zyn het, die het prosa tot poëzy herscheppen. Voltaire betuigt, dat alle kunstgreepen van een' dichter in het maaken van schoone vaerzen moeten bestaan: ‘Toute la politique d'un poëte doit être de faire des beaux vers’ (Préface de La Henriade) 115 . Trublet zegt: ‘Le principal mérite d'un poëte est d'être versificateur’ (Essais de litter. & de morale, Tom. IV, pag. 195) 116 . En Buffier, na de natuur der poëzy wél overwogen te hebben, besluit: ‘Il resultera de ces reflexions, que la fiction est moins essentielle à la poësie, que la versification; puisqu'il se trouve beaucoup plus d'ocasions, où nous refusons le nom de poëme à des ouvrages sans versification, qu'à des ouvrages sans fiction’ (Traité philosophique et pratique de poësie, Part. I, Chap. II, 9) 117 . Men heeft op deeze stelling te letten, naardien zy de valsche begrippen van waanwyze kritieken wederlegt. Want men vind 'er, die de vaerzen niet voor het kunstigste noch wezenlykste deel der |
115 In O. R. Taylor's kritische uitgave van
Voltaire's Henriade, Genève, Institut et Musée Voltaire,
1970, staat de door Koning Frederik de Grote geschreven
‘Préface’ op p. 352-363. De aangehaalde zin, die daar wel in
zou passen, is echter niet getraceerd.
116 Trublet, Essais de littérature et
de morale, IV, p. 224.
117 Buffier, Suite de la grammaire, II, bl
9. Niet getraceerd, zie noot 20.
|
|
poëzy willen laaten gelden; die beweeren, dat vinding, oorsprongklykheid, adel, verhevenheid, bevalligheid, kracht, vuur, en wat niet al meer, in de dichtstoffe, het wezenlykste en kunstigste deel der waare poëzy uitmaaken; dat vaerzen de dichtstoffe meerder luister kunnen byzetten, maar dat die gedachten, ook maat- en rymloos, geenszins nalaaten te blyven wat ze zyn: en dat, in tegendeel, vaerzen naar den eisch, indien ze die hoofdstoffen der waare poëzy missen, hoe kunstig, vloeijend en welluidend ze zyn mogen, geen' anderen naam dan zoete rymery verdienen. Met één woord, deeze grillige dweepers bepaalen de waare kunst niet aan de vaerzen, maar aan de prosaïsche stoffe die ze bevatten. Doch die averechtsche oordeelaars, welke de poëzy en het prosa ten eenemaale onderéén verwarren, zyn door het reeds gezegde overvloedig wederlegd, en zullen in het vervolg deezer proeve nog dikmaals beschaamd worden. Naardien de vaerzen het kunstigste en wezenlykste deel der
poëzy uitmaaken, zo staat hunne beoordeling alleen aan den rechterstoel
der kunstkenneren en fraaije geesten (§. 60.); gelyk het prosa, en dus de
dichtstoffe der vaerzen (§. 12.), der beoordeeling van het gantsche
publiek ten doel staat. Wanneer derhalve, gelyk bekend is, Malherbe,
Moliere
, Cats ,
Hooft , hunne poëetische
werken geheel karsversch aan hunne keukenmeiden hebben voorgeleezen, zo kunnen
zy geen ander oogmerk gehad hebben, dan dat die muuzen alleen den prosaïschen inhoud der vaerzen zouden beoordeelen; want de kritiek der vaerzen, als loutere vaerzen, is zeker boven het bereik der keuken. |