§. 23. Trant en rym vormen het wezen der vaerzenTrant en rym vormen het wezen der vaerzen. ‘De kadans of trant van een vaars,’ zegt Du Bos , ‘bestaat in een achtereenvolging, beurt om beurt, van lange en korte lettergreepen, volgens een zekere evenredigheid bepaald zynde’ (Oordeelk. Aanmerkingen, enz., Deel I, bl. 354) 118 . En het rym -- wien is zulks onbekend?
Daar wy van den trant en het rym breeder staan te handelen, zullen we hier alleen aanmerken, dat die beide deelen het wezen van alle vaerzen even zodanig vormen, als ligchaam en ziel den mensch uitmaaken. ‘De zaamenstelling onzer Nederduitsche vaarzen zou men konnen zeggen, onder anderen, aan vier regels onderworpen te zyn. Eerst moeten onze vaarzen uit een bepaald getal lettergreepen zyn zaamengevoegd, naar dat de soort der vaarzen zyn mogen. Ten tweeden moeten onze vaarzen van vier, vyf, of zes voeten een ruste, op zyn behoorlyke plaats hebben. Ten derden moeten wy het zaamenlopen der lettergrepen, die de |
118 Du Bos, Oordeelkundige aanmerkingen
(anders in het origineel: ‘achtereenvolging beurt, om
beurt’).
119 Pels, Dichtkunst, r.
109-110.
|
|
aangenaamheid van 't gehoor bederven, voorkomen. En eindelyk moet men rymen’ (Du Bos, Oordeelk. Aanmerk. Deel I, bl. 341) 120 . Men kan derhalve, niet ongevoeglyk, elk goed vaers als een' welgemaakt' edelman aanmerken. Vooreerst moet zyn ligchaam uit de verëischte vaste en vloeijende deelen zyn saamgesteld; dan moet dat ligchaam, (dat zelden vier, meest vyf, ten hoogsten zes voeten lang is) eene behoorlyke evenredigheid in alle leden bezitten en gezond zyn; daarna moeten alle deelen des ligchaams, naar de regels der scherm-, dans- en rydkunst, bevalligst zich vertoonen; en eindelyk moet eene edele ziel in dat ligchaam huisvesten. Den trant en het rym in vaerzen vloeijend en welluidend te verbinden, is geene geringe kunst; hun band is zo subtiel als die van ligchaam en ziel. Indien ook de trant de lettergreepen der voeten, als zo veele leden van het vaers, juist aanéénkoppelt, sammelt het weêrbarstig rym veeltyds, eer het volgen wil; en men zou, op de betrekking van den trant tot het rym, Vondels vaers kunnen toepassen:
|
120 Du Bos, Oordeelkundige Aanmerkingen I.
Het ‘Nederduitsch’ is hier kennelijk een van de toevoegingen die in
de titel worden aangekondigd, zie noot 2.
121 Ovidius' Herscheppinge X, r. 652 (WB
VII, p. 765).
|