§. 24. De trant is het ligchaam der vaerzen

De trant is het ligchaam der vaerzen. Hoewel de vaerstrant eigenlyk den gang of de melodie uitdrukt, waardoor het vaers geschikt word om gezongen te kunnen worden (§. 5.), en Pels het

[p. 48]

woord ook in deezen zin opvat, wanneer hy zegt:

 De trant bestaat by ons alleenlyk in de toon,
 En alle vaerzen zyn in 't Nederduitsch gewoon
 Op eenerleije wyz' van trant, of dans te weezen,
 (Dichtkunst, bl. 7)  122  

zo kunnen echter alle de verscheidene benaamingen der werktuiglyke kunstdeelen van een vaers, welke men by de meesters ontmoet, als maat, voet, toon, klank, snede, rust, kadans, numerus, metrum, enz, (het rym slechts uitgenomen) zeer gevoeglyk met één woord onder trant begreepen worden; want alle die deelen veréénigen zich in den vaerstrant, en maaken, als onderhoorige leden, in denzelven één ligchaam uit. Het woord Melos, vanwaar melodie, zegt in 't Grieksch eigenlyk een lid, en heeft dus betrekking tot een ligchaam. Het is met den trant gelegen, als met de lier; die tevens het lichaam, en tevens het geluid of muziek van dat speeltuig uitdrukt.

Te onrecht word de trant veeltyds slechts de maat genaamd, die wel een zeer wezenlyk deel daarvan, maar geenszins de vaerstrantzelf en geheel is.

Spotters vergelyken den trant met Prokrustes yzeren bedstede, en zeggen, dat de poëet met zyne vaerzen moete te werk gaan, gelyk die wreedaart met zyne gasten. Men weet, de tiran Prokrustes rekte zyne gasten, indien ze korter waren dan zyn bed, naar de lengte van het

 122  Pels, Dichtkunst, r. 175-177.


[p. 49]

zelve langer uit; en hen, die langer dan zyn yzeren bed waren, maakte hy korter. Maar men zal die vergelyking een weinig gedwongen vinden.

Hoe het zy, daar de trant het ligchaam der vaerzen uitmaakt, kan men van elk vaers zeggen:

 Het heeft zyn middenlyf, zyne armen, voeten, hooft,
 En schouders, elck om 't netst. Het heeft zyn ingewanden,
 Elck lidt, elck ingewant zyn ampt, gebruick en standen.
 (Vondel, Poëzy, Deel I, bl. 237)  123  

Men neeme het rym alleenlyk uit; want, (indien het geoorloofd is in Vondels vaers één woord te veranderen:

 Het rym is hier de ziel: al 't ander is het lyf.
 (Poëzy, Deel II, bl. 304)  124  
 123  ‘Inwydinge van het stadthuys’, r. 652-654 (WB V, p. 882).
 124  ‘Byschriften op steden: Poictiers’, (deze afwijking van het oorspronkelijke ‘Poictiers dat is de ziel’ is de enige betekenisverandering die Hoffham in al zijn bijna 700 citaten heeft toegepast), r. 4 (WB X, p. 74).