§. 25. Het rym is de ziel van een vaersHet rym is de ziel van een vaers. Gelyk wy gezien hebben, dat de trant het ligchaam van een vaers uitmaakt (§. 24.), zo is het rym de ziel, die dat ligchaam gevoel en leven schenkt. Het veelbetekenend woord Rhythmus, vanwaar ons Rym afstamt, zegt eigenlyk harmonie; die treffendste omschryving der ziel. Want Pythagoras, Plato, Philolaüs 125 , en andere oude wysgeeren, bepaalden de ziel, eene loutere harmonie te zyn. Men kan niet dichten, zonder vaerzen te maaken; en men kan geene vaerzen maaken, zonder te rymen. Het rym is dus de kroon der poëzy, en de ziel van elk vaers. En gelyk de ziel denkt, of gedachten baart, even zo baart het rym |
125 Pythagoras, Grieks wijsgeer en mathematicus
(6de eeuw v. Chr.); Plato, Grieks wijsgeer (427-347 v. Chr.); Philolaos,
aanhanger van Pythagoras (5de eeuw v. Chr.).
|
|
dichtgedachten (§. 83.). Het eene rym teelt het andere, en aldus worden vaerzen geboren. De minste inval, ik zal niet zeggen hartstocht, heeft slechts een rymwoord aan de hand te geeven, zo brengt de weêrklank straks een' tweeden rym voor den geest; en onmiddellyk zyn twee vaerzen in gereedheid. Met alle de volgende vaerzen gaat het even zo; en men bemerkt by elken regel, dat het rym, nopens den vaerstrant, gelyk de ziel nopens het ligchaam, levendig, vlug en werkzaam is. Om zich van deeze waarheid ten eenemaal te overtuigen, leeze men Rabeners Bewys der onontbeerlijkheid van het rym, enz. 126 , of wel Nomsz navolging; waar het onder anderen heet:
en laager:
en aan het einde:
Rymlooze vaerzen, (indien 'er vaerzen zonder rymen kunnen bestaan) zyn derhalve als ziellooze vaerzen aan te merken (§. 77.). In tegendeel kan men, in kas van vaerzen, de woorden berymd en bezield, als ten eenemaale gelykluidend, willekeurig |
126 Gottlieb Wilhelm Rabener (1714-1771),
bijgenaamd ‘Der Spötter aus Sachsen’. Als Verzameling van
hekelschriften werd zijn werk in vier delen vertaald, Amsterdam, bij Pieter
Meijer, 1763-1767. Deel II dateert van 1765 en daarin staat: ‘Bewijs dat
het rym in de Duitsche dichtkunst niet kan ontbeerd worden’. UBL 2435
D 22-24.
127 Nomsz, Mengelwerken, Amsterdam,
erven David Klippink, 1782. In de afdeling ‘Hekelschriften’:
‘Bewijs dat het rym in de Duitsche dichtkunst niet kan ontbeerd worden,
gevolgd naar het Hoogduitsch van Rabener’, p. 183-190. UBL 1206 B
19.
|
|
verwisselen. Voor het overige behoort het rym, als ziel, tot de bovennatuurkunde der poëzy. Voor het rym zorgen, is dan voor de ziel van 't vaers zorgen; en men ziet hoe noodwendig zulks zy. Huydecoper, weliswaar, in zyne Proeve van taal- en dichtkunde 128 , berispt den grooten Vondel meermaals, dat hy den zin zyner vaerzen bederft, alleen om het rym goed te maaken; en onder anderen verklaart hy bladz. 103 zulks ronduit: ook is het niet te loogchenen, dat veelen onzer poëeten Vondel hierin navolgen. Maar, de zaak wel overwoogen zynde, men heeft onrecht om Vondel en zyne navolgers op dit punt te berispen: want den zin der vaerzen te bederven, om het rym goed te maaken, heet niets anders, dan het ligchaam afbreuk te doen om voor de ziel te zorgen; het welk, gelyk elk weet, eene zeer wezenlyke zedelyke pligt is. |
128 Huydecoper, Proeve van taal- en
dichtkunde, p. 103, in een noot bij Ovidius' Herscheppinge II, r.
81: ‘Dit is den zin bederven om het rym goed te maaken’.
|