§. 27. De hoeveelheid der voeten karakteriseert een vaers

De hoeveelheid der voeten karakteriseert een vaers; want

 -- 't verschil van onze vaerzen moeten
 Wy leren kennen uit de veelheid van de voeten.
 (Pels, Dichtkunst, bl. 8)  138  

Ieder vaersregel bestaat uit eene zekere kwantiteit voeten, en elk voet uit twee lettergreepen. Men verdeelt onze Neêrduitsche vaerzen, ten aanzien hunner prosodie of muziek, in twee klassen, te weeten in jambische en trochaïsche vaerzen, volgens de oude heidensche benaaming; hoewel de liefhebbers van deeze onderscheiding

 138  Pels, Dichtkunst, r. 185-186.


[p. 54]

gemeenlyk niets weeten. Jambische vaerzen zyn de alom bekenden, en schier algemeen geprivilegeerden, welke uit voeten bestaan, waarvan de eerste greep altoos kort en de laatste lang is; gelyk

 Hoe zoet is 't daar de vrindschap woont, enz.

Trochaïsche vaerzen, daar en tegen, bestaan uit voeten, waarvan de eerste greep geregeld lang en de laatste kort is; als

 Geef een aalmoes voor een' blinden, enz.

Regelmaatige jambische vaerzen (want slechts van deezen zal ik altyd stilzwygend spreeken) hebben gewoonlyk niet meerder dan zes voeten; zy kunnen echter hunne voeten verminderen, totdat zy zich in snikken (§. 69.) verliezen. Vaerzen van zeven voeten zyn zeldzaam, hoewel men ze vind; by voorbeeld:

 ô Wacht u, wacht u wel voor hem die Godt getekent heeft.
 (Vondel, Poëzy, Deel I, bl. 631)  139  
 De Tarentyn houd, door de kracht der jaren, rustig aan.
 (Feitama, Telemachus, bl. 371)  140  

Daar elk voet uit twee lettergreepen bestaat, zo tellen de zesvoetige vaerzen 12 greepen, de vyfvoetigen 10 greepen, en zo voort. Deeze evengreepige vaerzen worden manlyk genaamd: de vrouwlyken zyn onëven, en hebben allen één' greep meer, naardien de vrouwen ééne rib meer dan de mannen bezitten; en ook hier heet het: Honneur aux dames! Het rym, 't welk de manlyke

 139  ‘Bruiloftbed Hooft-Hellemans’, r. 264 (WB III, p. 165).
 140  Feitama, Telemachus, p. 371.


[p. 55]

vaerzen sluit, word gezegd te staan: doch dat aan het einde der vrouwlyke vaerzen noemt men sleepend. Manlyke vaerzen van vyfdhalf' voet, hebben 7, van vierdhalf' voet, alleenlyk 5 greepen, enz.

     om dat 'er een der leden,
 Of eene halve voet, vooraan is afgesneeden;
 (Pels, Dichtk., bl. 9)  141  

dit echter zyn geen jambische, maar trochaïsche vaerzen.

Zesvoetige vaerzen heeten heldenvaerzen, wyl ze uit hoofde hunner majesteit tot het heldendicht vooral gebruikt worden (§. 32.); ook noemt men hen Alexandrynsche vaerzen, wyl Alexander een groot held is geweest. Zy zyn onafscheidelyk van den ‘zoogenoemden Hollandschen Heldentoon,

 Pho, pha, tra, la, la, la, wilt myne kracht bestieren,
 fa, foe, pief, poef, pi, pa, tra, le, la, la, la, lieren.’
 (M. Corver, Tooneelaantekeningen enz. bl. 159)  142  

Vyfvoetige vaerzen zyn echter niet minder deftig (§. 32.), en Vondel, die ze meermaals tot het hoogdravende bezigde, houd met Ronsard hen ‘beter van zenuwen voorzien en gesteven, dan d'Alexandrynsche, van twalef en dertien lettergreepen’. (Bericht voor Jephta)  143  

 Viervoetsche vaerzen voorts, waarin geen sneê met allen
 Vereischt wordt, zullen ons gemeenlyk welgevallen
 Op alle stoffen in een kort gedicht bevat;
 (Pels, Dichtkunst, bl. 8. enz.)  144  

Men leeze, zo wel omtrent de kenmerken der

 141  Pels, Dichtkunst, r. 217-218.
 142  Marten Corver (1727-1793), Tooneel-Aantekeningen, vervat in een omstandigen Brief aan den Schryver van het Leven van Jan Punt, geplaatst in het Leven van eenige beroemde Nederlandsche mannen en vrouwen, Leyden, by Cornelis Heyligert, 1786 (dus voor Hoffham heel recent). KB 308 E 12.
 143  ‘Berecht voor Jephta,’ (WB VIII, p. 778, r. 149-150).
 144  Pels, Dichtkunst, r. 209-211.


[p. 56]

overige vaerssoorten, als nopens alle verdere werktuiglyke kunstdeelen van een vaers, vooral de nuttige lessen van den behulpzaamen Pels; die, als een tweede Edipus, het raadsel van den Sfinx volkomen oplost en ontwart.