§. 28. Een rist vaerzen heet men een koeplet of strophe

Een rist vaerzen heet men een koeplet of strophe. Want men rygt de vaerzen dikmaals aan risten, om hen dies te bekwaamer ten zang te maaken; gelyk alle liederen, hoe genaamd, uit gelyke vaersristen of koepletten bestaan. Zy worden willekeurig, maar met smaak en kunst, aanééngehecht; en

     men rymt die over 's hands,
 Of na malkander, zo als ieder wil bykans.
 (Pels, Dichtkunst, bladz. 8)  145  

Zie hier een paar voorbeelden van vaersristen:

 Nou iens van 't looze Reintje
     Gezongen dat het klinkt;
 Daer Nikkertje en Haintje
     De wellekomst op drinkt,
 Nou dat schalke diefje slinkt.
     Hoe is 't benart!
     Hoe hangt zyn start,
 Nou zyn pooten zyn verminkt.
 (Vondel, Poëzy, Deel II, bl. 426)  146  

en

 Kom hier, o goelyk meisje.
 Gy ziet de velden groenen.
 Vergun me slechts een reisje
 Dat ik uw mont magh zoenen,
 145  Pels, Dichtkunst, r. 199-200.
 146  ‘Sprookje van Reintje de Vos’, r. 1-8 (WB III, p. 111: variant: ‘stinkt’ in plaats van ‘slinkt’).


[p. 57]

 
 En Uw wangen
 Uit lust en verlangen.
 Ay, koom wat nader:
 Want uwe moeder
 En was niet vroeder.
 Zy kuste vader.
 (Bladz. 457)  147  

Men heeft, by het maaken van vaersristen, alleenlyk daarop te letten, dat ze, hoe veel ook in aantal, allen volmaakt éénen leest vertoonen, en, voor zo verre ze samen behooren, op éénerlei melodie kunnen gezongen worden; want de trant dier risten bepaalt haare zangwyze, en uit dien hoofde zong A. de Haen:

 Gy ziet wel aan den trant
     Kwant!
 De wys met goed verstand;
     In 't Bybelsch Liedeboekje
 Of 't Harpje, welbekend;
 Daar vind men jend
     Dees vois geprent;
 Gy zult ze ook vinden, zoekje
     Slechts van 't begin naar 't end.
 (Mengeldichten, bladz. 371)  148  

De vaersristen maaken het wezenlykst deel der lierzangen uit; ook zyn ze tot alleenspraaken, en gelegenheidsdichten van allerlei slag, zeer eigenaartig te gebruiken.

 147  ‘Ander: Koridon’, (WB X, p. 188: varianten: ‘Reisje,’; op één regel: ‘En Uw Wangen, uit lust en verlangen’).
 148  Abraham de Haen (1707-1748), Herderszangen en Mengeldichten, Amsterdam, by Theodorus Crajenschot, 1751: ‘Aan den Heere Cornelis Pronk ter gelegenheid van zyn ed. verjaardag’. KB 3094 E 19.