§. 29. Een schakel van vaersristen heet een lierdicht of odeEen schakel van vaersristen heet een lierdicht of ode. Men
zingt daarin wat men wil; echter hoe raazender dingen, hoe beter.
Minder dan vier, en meerder dan twaalf rymregels pleegt een odenrist niet te hebben. Vyfvoetige vaerzen worden het meest tot lierzangen gebruikt, hoewel vier- en zesvoetigen zich somtyds daarmede vermengen; want het willekeurig over's hands rymen is hen eigen. Men kan op alle psalmwyzen lierzangen maaken (§. 32.); en in Vondels drie boeken Lierdichten zyn daarvan ontelbaare voorbeelden: zo ook heeft hy, onder anderen, zyn' Zegezang op Psalm 9, zyn Lyckoffer van Maegdeburgh op Ps. 8, zyne Scheepskroon op Ps. 42, zyne Vrye Zeevaert op Ps. 140, zynenTriomf over Funen op Ps. 66, zyne Havenschendery op Ps. 63, zynen Zeetriomf der vrye Nederlanden op Ps. 77 gezongen (Men zie zyne Zegezangen 150 ). Zeer veel oden worden echter ook op geheel nieuwe en eigene zangvoisen vervaardigd. Het lierdicht voert zynen naam naar de lier, welke oudtyds dien zang steeds pleegde te begeleiden, en was aan Apollo en de zanggodin Polyhymnia in 't byzonder toegewyd:
|
149 Gobels, Dichtkunde, II, r. 71-72:
‘Zyn teugelvryë Styl draaft veeltyds buiten 't Spoor. / Een fraai
ontschikt Taf'reel gaat hier voor Kunstgreep
dóór’.
150 ‘Zegezang ter eere van Frederik
Hendrik, Boschdwinger, Wezelwinner’, (WB III, p. 264-285);
‘Lyckoffer van Maeghdenburgh’, (WB III, p. 357-366);
‘Scheepskroon’, (WB V, p. 569-573); ‘Vrye Zeevaert’,
(WB V, p. 567-568); ‘Triomf over Funen’, (WB VIII, p. 764-765);
‘Havenschendery’, (WB X, p. 184-185); ‘Zeetriomf der vrye
Nederlanden’, (WB X, p. 206-208). In Poëzy I (1682) staan
deze gedichten bij elkaar op p. 29-83.
|
Anderen nogthans eigenen het lierdicht aan Terpsichoré toe; en de schouwburg zegt derhalve tot Apollo:
waartegen Apollo den schouwburg verzekert:
Maar de poëeten liggen met de muuzen meermaals in de war. Hoe het zy, Vondel, van Orpheus spreekende, noemt hem een' Lierman:
en laager:
even dus noemt Vondel Horatius:
Men kan derhalve, by overdragt, ook lieren voor zingen zeggen; by voorbeeld:
|
151 Nieuwe verzameling der Nederduitsche
Mengelgedichten, Amsterdam, bij Willem Barents, 1727, p. 347-351:
(anoniem), ‘Helikon, Lierzang’ (uit het Fransche van den Heer De la
Motte). KB 841 D 21.
152 Pater, De juichende schouwburg, p.
12.
153 Pater, De juichende schouwburg, p.
17.
154 Ovidius' Herscheppinge X, r. 117-118
(WB VII, p. 747)
155 Ovidius' Herscheppinge XI, r. 28-29
(WB VII, p. 781).
156 ‘Bruiloftbed Hooft-Hellemans’,
r. 272 (WB III, p. 166).
157 Pels, Dichtkunst, r. 321.
|
|
of:
Jammer is het, dat het accompagnement der lier by de oden, onder ons, buiten zwang is geraakt. En ook de vocaal- en instrumentaalmuziek der zwervende Savooijaarden geeft ons slechts een onvolkomen denkbeeld van de lierzangen der ouden. |
158 Nicolaes Versteeg (1700-1773, Rotterdams
koopman), Mozes in twaelf boeken, Rotterdam, bij Smithoff en Arrenberg,
1771, p. 1. De eerste regel in deze uitgave luidt: ‘'k Zal Mozes, Amrams
Zoon en zijne wondren zingen’, dus niet: ‘lieren’. KB 3117
C 1.
|