§. 30. Een samenhang van vaerzen heet een dichtstukEen samenhang van vaerzen heet een dichtstuk. Is de inhoud
dier vaerzen hoogdraavend, brommend, wydloopig, en groeijen de zangen daarin
tot boeken aan, zo noemt men dat dichtstuk een heldendicht. Dichtstukken
in samenspraaken en tooneelen, waarin gevryd, gevloekt, gehuild, gevochten en
gemoord word, heet men treurspellen; andere diergelyken, waarin
gekoppeld, bedrogen, begekt en gelagchen word, noemt men bly- of
kluchtspellen. Doet men deftige lieden in vaerzen korrespondeeren, zo
bevat hun kopyboek heldenbrieven. Laat men herders, visschers of
kruijers samenspreeken, zo heet men die dichtstukken natuurlykerwyze
herders-, visschers- of kruijerszangen. Zucht en kermt men op zyn
eigen hand, zo levert men een klaagdicht. Schimpt men, zo levert men een
satire. Verhaalt men logens by uitneemendheid, zo heeft men eene
fabel. Zingt men by de echtkoets van een paar nieuwgetrouwden, by de wieg van een pasgeboren wicht, by de taart of by het lyk van een' vrind, zo heeft men huwelyks-, geboorte-, verjaar - of lykdichten, en zo voorts; en alle gelegenheidsvaerzen maaken dus verscheidene dichtstukken uit. Willekeurige kleinigheden en poëetische snuisteryën worden, naarmaate haarer beknoptheid, snel- of puntdichten genoemd; en hiertoe zyn ook de byschriften, tyddichten, letterkeeren, leverrymen (§. 70.), enz. betreklyk: of die kleinigheden draagen naarmaate van haar' byzonderen vorm, den naam van sonnetten, rondeelen, baladen, madrigals, kreeftdichten, rikkerakken, enz. (§. 31.). Raazende onderwerpen, moord en brand, drukt men best in oden of lierzangen uit (§. 29.). Hoe menigerlei de soorten der dichtstukken zyn mogen, zo worden ze echter alle gantsch eenvouwdig gevormd door een' samenhang van vaerzen; van de heldendichten naar Swifts recept aan (§. 10.), tot de vroedvrouwdichten inkluis, diergelyken de vroedgodin Lucina maakte. (Men zie Vondels Herschepp. van Ovidius, bladz. 320, vergeleeken met bl. 276) 159 . Het regelmaatig samenvoegen van vaerzen tot een dichtstuk, of het geene men dichten enz. noemt (§. 71.), wordt ook wel samenflanssen, aanéénlymen, enz. geheeten. By voorbeeld: ‘Met dit alles, indien men slechts achtgeeve, dat het rymwoord achter aan den regel komt, |
159 Ovidius' Herscheppinge X, r. 721 (WB
VII, p. 767: ‘en mompelt vroetvroudichten’ (zie noot
517).
|
|
en dat het wat gemaklyk voortrolt, kan men thans een tooneelstuk saamenflanssen’ (Mengelstoffen, Deel III, bl. 104) 160 .
Zo zingt Vondel:
en Joannes Brand:
|
160 Verzameling van ernstige en boertige
mengelstoffen in dicht en ondicht, III, p. 104.
161 In Hoffhams noot staan twee drukfouten. Het
gaat om de Dichtlievende verlustigingen bestaende in veld- en stroomzangen
onder de zinspreuk Meditando Fulgens (Mattheus de Ruuscher), Leiden, by
Cornelis van Hoogeveen, 1762: ‘Aan N.N., my radende ik zoude een
dichtwerk van langen adem onder handen nemen’, p. 118-120. UBL 1205 C
41. De bundel bevat ook vertalingen van Satires van Boileau.
162 ‘Gezang op het Latynsche woordt:
Trahit sua quemque voluptas’, r. 37-42 (WB II, p. 401).
163 Plaats niet aangegeven: Joannes Brandt
(1660-1708, remonstrants predikant in Amsterdam, zoon van Gerard Brandt),
Mengeldichten, Amsterdam, bij Gerrit Slaats, 1701, p. 81, r. 3-4, in een
gedicht op Willem den Derden door Lukas Rotgans. UBL 1201 F
7.
|