§. 31. De vormen der dichtstukken zyn menigerleiDe vormen der dichtstukken zyn menigerlei, en men moet die by
de meesters zelven studeeren, en die van hen leeren. ‘Les Stances, les
Quatrains, les Sonnets, les Epigrammes, sont des petits discours, à qui
l'on donne differens noms, selon le nombre ou le genre des vers, ou selon le
sujet. Les Distiques sont des ouvrages de deux vers. Les Quatrains sont de
quatre. Les Epigrammes sont des inscriptions. Lorsque ces inscriptions se
mettent sur des tombeaux, on les appelle Epitaphes’ (Lamy, Rhétorique ou l'art de parler, pag. 551) 164 . Veele poëetische vormen onzer oude rederykers worden thans zeer verwaarloosd, en, wyl ze te kunstig zyn, schier vergeeten,
en het is alzins van de dichterlyke wandeldreeven, die thans met distelen en doornen bewassen zyn, dat men kan zeggen:
Ieder soort dier dichtstukken heeft nu haaren byzonderen vorm. Zie hier den vorm van een' Drieling:
|
164 Lamy, La Rhétorique ou l'art de
parler, p. 551: dit bladzijnummer klopt niet, Lamy's
Rhétorique heeft ofwel (La Haye, chez Pierre Paupie, 1737 UBL
722 G 11) 441 bladzijden ofwel (Amsterdam, chez Marret, 1699 UBA 1092 H
31) 382 bladzijden. De plaats is niet gevonden.
165 Pels, Dichtkunst, r.
824-827.
166 De Hollandsche Spectator, II, p.
710-712.
|
|
Zie hier den vorm van een Rondeel:
Zie hier den vorm van een Klinkdicht:
Myn bestek lyd niet meerder vormen van dichtstukken te berde te brengen; en men zoeke die in de werken der oude poëeten zelven. Deeze gedaanten of vormen der dichtstukken maaken hun wezenlykst deel uit, even gelyk die der eijeren, vleugelen, bylen, herdersfluiten en altaaren der oude Grieksche dichteren; gedaanten van kleine heldendichten, waarvan de Engelsche Spectator gewaagt (Deel I, bl. 348-351) 168 . Telt derhalve een drieling naar den eisch zyne 8, een rondeel zyne 13, een klinkdicht zyne 14 vaersregels; kan een heldendicht, een treurspel, een lierzang, op de behoorlyke psalmwyzen gezongen worden (§. 32.), zo is voorts aan den inhoud van alle die poëetische gewrochten weinig of niets gelegen: gelyk het nopens de eijeren 'er niet op aan kwam, of zy dooijers bezaten, noch nopens de vleugelen of ze lam, nopens de bylen of ze stomp, nopens de fluiten of ze geborsten, en nopens de altaaren of ze koud waren. Men kan de kleppelvaerzen eindelyk ook nog als een' byzonderen vorm van dichtstukken aanmerken. Kleppelvaerzen zyn zulken, waarin éénzelvige rymklanken door het gantsche vaers geduurig, althans meermaals, herhaald worden. By voorbeeld: |
167 Proeve van dichtoeffening,
‘Naer het Fransch van den abt Regnier Desmarais’.
168 ‘Engelsche Spectator’: De
Spectator of verrezene Socrates, Amsterdam, bij Steenhouwer en Uytwerf,
1720 (vertaling van The Spectator van Addison en Steele, vervolg op
The Tatler van 1-3-1711 tot 6-12-1712). Vertoog XLIV handelt over
‘Ut pictura poesis’. UBL 1223 F 9.
|
Een der volmaaktste kleppelvaerzen is Vondels ‘Vlaams gebraay peerken jent,’ in zyne Hekeldichten, bl. 43-45. 170 |
169 Constantijn Huygens (1596-1687),
Werken, ed. Worp 1895, Deel V, p. 207.
170 ‘Vlaams gebraay peerken jent,’
Hekeldigten, p. 43-45. Deze paginering is ontleend aan een uitgave van
Vondels Palamedes met de Hekeldichten, Amersfoort, bij Brakman,
1707. Onder ‘Op een moort-pasquil’ staat daar ‘Een vlaams
gebraay perken jent, / Gesonden honsen broederen tot een present’ (niet
in Poëzy II, niet in WB). KB 760 E 14.
|