§. 32. De zangwyze der vaerzen richt zich naar den aart van het dichtstukDe zangwyze der vaerzen richt zich naar den aart van het dichtstuk. Een heldendicht, by voorbeeld, word op de wyze van den 89sten psalm gezongen, (mits dat men de beide laatste regels weglaate) en dit noemt men zesvoetige of Alexandrynsche vaerzen (§. 27.). Kalliopé is op deezen psalm verslingerd. Echter vind men ook heldendichten die naar de zangwyze van den 8sten of 104den psalm zyn ingericht. Ik geef hier onze hervormde psalmwyzen alleenlyk tot zangsleutels aan, wyl deeze algemeen bekend zyn; gelyk de Rhapsodist (Deel I, bl. 478) 171 den 42sten en 77sten psalm, enz. aanvoert, om de voetmaat der Grieksche en Latynsche trochaïsche vaerzen aan te wyzen: en de inhoud der vaerzen heeft met hun wezen niets gemeen (§. 9.). Wanneer dus van Datheen of Laus |
171 De Rhapsodist, ‘Over het rym in
eene soort van Nederduitsche Gedichten, met eenen Anakreonschen
Lierzang’.
|
|
Deo 172 word gesproken, heeft men aan David geenszins te denken. Voorts, weet men, een heldendicht bestaat uit zangen; en de poëet begint gemeenlyk: Ik zing --- of, my lust te zingen. Melpomené zingt geregeld mede psalm 89 aan het begin; want daar dees psalm de volste maat heeft, zo past zyn zangwyze volmaaktst tot alles wat hoogdraavend is, en immers:
Nogthans zingt deeze zanggodin ook wel somtyds op de melodie van psalm 104 en 144; gelyk Vondel zelf zyne treurspellen Jephta en Koning Edipus op die psalmwyzen Melpomené in den mond legt 174 . Thalia, in haare verhevenste zangen, volgt alzins den zangtrant haarer treurige zuster. In gemeenzaame bly- en kluchtspellen bind zy zich echter niet altyd aan dien favorietpsalm, maar zingt óf op eene eigene melodie, óf in vaerzen op uso 175 (§. 69.), die als recitatieven zyn aan te merken, en waarby de muziek geheel vry is. Polyhymnia is eene schelle maar ongeregelde zangster, en oden of lierzangen zyn derhalve van willekeurigen zang (§. 29.).
Zy worden op alle psalmwyzen, of op eigene |
172 ‘Laus Deo, salus populo’ bestond
uit acht dichters, die werkten aan een nieuwe psalmvertaling: Lucretia van
Merken, Nicolaas van Winter, Hermanus Asschenberg, Bernardus de Bosch, Anthony
Hartsen, Pieter Meyer, Lucas Pater en Henri Jean Roullaud.
173 ‘Opdragt van Lucifer’
(WB V, p. 604, r. 11-12).
174 Jephta (WB VIII, p. 769-850) en
Koning Edipus (WB VIII, p. 851-940).
175 op uso: op de gewone termijn (van twee
maanden).
176 Pels, Dichtkunst, r.
225-226.
|
|
melodiën gezongen, by voorbeeld op: Geef een aalmoes voor een' blinden; of op: Polyfemus, aan de stranden (Men zie A. de Haen, Mengeldichten, bladz. 379 en 384.) 177 . Helden- en heldinnenbrieven, herders- en visscherszangen, lof- en hekeldichten, en over het geheel alle poëetische gewrochten van eenige uitgebreidheid en langen adem, waarby de dichter geene kunst spaart, gaan gemeenlyk op de melodie van den 89sten psalm,
Gelegenheidsgedichten van allerlei aart, kan men op zodaanige melodiën zetten als men wil; maar vaudevilles, chansons, liedjes op Wyntje en Tryntje, worden geregeld in vaersristen, gelyk de oden, nu op deeze dan op die psalmwyze gezongen. Nopens allen heet het:
en Boileau berispt derhalve te recht hen,
|
177 Abraham de Haen, Herderszangen en
Mengeldichten, p. 379 en 384.
178 Pels, Dichtkunst, r.
191-192.
179 ‘Parnasloof’ (Voorwerk van de
Vergilius-in-verzen van 1660), r. 153-154 (WB VI, p. 91).
180 Boileau, L'Art poétique,
Chant I, r. 74.
|