§. 37. De Poëzy heeft veele voordeelen boven het prosaDe Poëzy heeft veele voordeelen boven het prosa. ‘Zeker,’ zegt J. de Brune, ‘daar de poëzy een maatklank is, die men harmonie noemt, moet zy onze ziel veel nader by komen, dan ongebonde redenen, dat is, zodanige die tot de wet van dicht niet bedwongen zyn’ (Wetsteen der vernuften, bl. 327) 197 . Het kan, wel is waar, van 't prosa meermaals heeten:
maar hoe plat, hoe plomp is niet het prosa, in vergelyking met de lieftalige poëzy! Waarlyk, het kleed der poëzy is meer waard, dan het naakte prosa zelf. Men hoore de getuigenis der kenneren: ‘Pour gouter la prose,’ zegt Mr. de Listonai, ‘il ne faut que du sentiment. Pour être flatté des vers, il faut de l'habitude’ (Le Voyageur philosophe, Tom. I, pag. 249) 199 . Het proza is |
197 Jan de Brune de Jonge (1616-1647): Wetsteen
der vernuften, Amsterdam, bij Jacob Lescailje, 1644 (daar:
‘Poëzi’, ‘naamt’, ‘bykomen’,
‘zoodanige’). KB 2105 A 44.
198 Hoffham geeft geen plaats: Huygens,
Werken, ed. Worp, Deel VI, p. 62 (uit een kwatrijn dat hij voorin het
Banket-Werk van Jan de Brune de Oude (1589-1658) had
geschreven).
199 M. de Listonai, Le voyageur
philosophe, I, p. 249. Zie noot 190.
|
|
derhalve slechts voor het graauw, maar de poëzy voor liefhebbers. ‘La prose endort, la poësie reveille,’ zegt Lamy; ‘la cadence des vers leur donne une force particuliere, d'ou vient que les mêmes choses insipides en prose, sont picquantes en vers’ (La Rhétorique, ou l'art de parler, pag. 345 et 346) 200 . En Trublet spreekt aldus: ‘Une pensée qui auroit paru fort simple en prose, mise en vers bien faits, devient une pensée fine; la plus commune y paroit neuve. -- Les poëtes peuvent piller les prosateurs, sans passer pour plagiaires. -- Un homme qui a le talent des vers, peut se faire beaucoup de reputation, sans penser de lui-même’ (Essais de litterature et de morale, Tom. IV, pag. 196) 201 (§. 45.). Wat al voordeelen der poëzy boven het prosa! Men voege hier nog by, dat in prosa de feilen op den schryver vallen; maar in poëzy zyn zy voor rekening van de kunst der vaerzen. ‘Man ist es gewohnt, uns des Reimes wegen eine gezwungene Wendung, eine unnatürlichere Folge der Gedancken, manches überflüssige Beywort, manches schwache Hemistichium, manche Härte, manchen Übelklang zu vergeben. Man vergiebt uns aber nichts, wenn wir uns diese Fesseln abgenommen haben’ (Ramler, Einleitung in die schönen Wissenschaften, Band I, Seite 165) 202 . Eindelyk: ‘De kinderen kunnen hunne lessen veel beter in poëzy dan prosa leeren; zy rymen dikwils eer zy leezen kunnen, en men treft, in de oude tyden, eer historieschryvers in vaerzen dan in onrym aan’ (De Philosooph, Deel II, bl. 357 enz.) 203 . Alleenlyk de dwarsdryver Mercier, die verachter van alle vaerzen, onderstaat zich om te zeggen: ‘La prose la plus commune a un caractere plus |
200 Lamy, La Rhétorique ou l'art de
parler, p. 345 en 346. Zie noot 25.
201 Trublet, Essais de littérature et
de morale, IV, p. 225. Zie noot 18.
202 Ramler, Einleitung in die schönen
Wissenschaften, I, p. 165. Zie noot 15.
203 De Philosooph (1766-1769), uitgegeven
door Cornelis van Engelen bij P. Meijer en Van Tongerlo, II, p. 357-358. KB
366 G 3.
|
|
libre, et plaît davantage à tout homme sensé. Il faut être maniaque ou un Voltaire pour faire des vers’ -- -- (Tableau de Paris, Tom. VIII, p. 163) 204 . Doch ik schaam my, om zyne lastertaal te voleinden. |
204 Mercier, Tableau de Paris, VIII, p.
168. Zie noot 69.
|