§. 38. De dichter munt uit boven den prosaïstDe dichter munt uit boven den prosaïst, gelyk de trompetter boven den omroeper. Montagne zegt: ‘Comme la voix contrainte dans l'étroit canal d'une trompette, sort plus aiguë et plus forte, ainsi la sentence pressée aux piés nombreux de la poësie s'élance plus brusquement, et frappe d'une plus vive sécousse’ (Essais, Livre I, Chap. 25) 205 . En Vondel, in zyne opdragt van den vertaalden Virgilius in onrym, zegt: ‘Dicht en ondicht, vaers en onvaers, verschillen gelyk trompetklanck en bloote stem, en het vaers is een stem, door een drieboghtige trompet krachtigh uitgewrongen, gelyck’ 206 . Hy zong derhalve:
en voorts:
en in het byzonder noemt hy de poëzie van Jan Vos: |
205 Michel de Montaigne (1533-1592),
Essais, Livre I, Chap. 25. In Boek 1, hoofdstuk 26 (niet 25) ‘De
l'institution des enfants’ staat: ‘Car, comme disait Cleantes, tout
ainsi que la voix, contrainte dans l'étroit canal d'une trompette, sort
plus aiguë et plus forte, ainsi me semble il que la sentence,
pressée aux pieds nombreux de la poësie, s'eslance bien plus
brusquement et me fiert d'une plus vive secousse’ (Pléiade,
p. 177) (‘Want, zoals Cleantes zegt, evenals het stemgeluid dat door het
nauwe kanaal van een trompet wordt gedrongen er scherper en sterker uit te
voorschijn komt, zo komt het me voor dat de zin die in het ritmisch keurslijf
van de poëzie wordt gedwongen heel wat sneller loopt en me dieper
raakt’). In de editie-Pierre Coste, Paris, ‘Par la
Société’, 1724 (KB 576 J 22-24) is het inderdaad
chap. XXV, p. 136.
206 Publius Virgilius Maroos Wercken, vertaelt
door I.V. Vondel, Amsterdam, Abraham de Wees, 1646: ‘Opdragt van den
vertaalden Virgilius in onrym’ (WB VI, p. 43, r. 38-40).
207 ‘Op den optoght der schutteryen
t'Amsterdam’, r. 7-9 (WB X, p. 610).
208 ‘De Vorstelycke bruiloft t'Amsterdam
van Johann Georg von Anhalt-Zerbst’, r. 258-260 (WB VIII, p.
714).
|
En geen wonder! De dichter ontvangt de trompet uit handen van Kalliopé. Daarom zingt Feitama van zyn zangeres:
en hierom heet het:
Vader Vondel, die Virgilius werken eerst in prosa en daarna in vaerzen vertaalde, heeft den Mantuaan dus éénmaal als omroeper en andermaal als trompetter behandeld. Maar in Vondels Aanleidinge ter Nederduitsche dichtkunste, die hy in prosa schreef, komt hyzelf alleenlyk als een nederig omroeper te voorschyn; terwyl de poëet, die hem uit ondicht in dicht heeft gebragt, gelyk een trompetter zich boven hem verheft (Ernstige en boertige Mengelstoffen, Deel II, bl. 198-224) 212 . |
209 ‘Op Jan Vos’, r. 4 (WB IX, p.
670).
210 Feitama, Telemachus,
‘Aanleiding des vertalers tot het volgend dichtwerk van den Heere
Fenelon’, r. 5-8.
211 Nieuwe verzameling van Nederduitsche
Mengelgedichten, ‘zonder naam, naar het Fransche van den heer De la
Motte’.
212 Verzameling van ernstige en boertige
mengelstoffen in dicht en ondicht, II, p. 198-224. De eerste regels luiden:
‘Hy, die zynen geest ten Pindus opgevoerd / En neêrgezet wordt in
den schoot der Zanggodinnen’ (zie noot 285).
|