§. 39. De vaerzenmaaker staat verre boven den dichterDe vaerzenmaaker staat verre boven den dichter, in zo verre
zy beiden één wezen uitmaaken; even gelyk de kunstenaar boven den
handwerker staat (§. 7. en §. 14.), of wel, gelyk de notaris den rang boven den translateur heeft, als ze beiden in denzelfden persoon veréénigd zyn. De dichter, als dichter, zorgt alleenlyk voor het poëetisch onderwerp, terwyl de vaerzenmaaker de zo kunstige taak der vaerzen voor zyn rekening neemt. De stoflyke inhoud der vaerzen staat tegen het vaerzenmaaken-zelve, gelyk het spreeken tegen het zingen, gelyk het gaan tegen het danssen, of, zo men wil, gelyk het balletdanssen tegen het koordedanssen. Wyl nu alle menschen natuurlykerwyze wel kunnen spreeken, maar niet zingen, wel kunnen gaan, maar niet danssen, veelmin op de koord danssen, en een zangmeester meer verdiensten bezit dan een omroeper, een dansmeester dan een voetbode, Magito dan St. Léger 213 zo ziet men, dat aan het vaerzenmaaken, boven het dichten en leveren der prosaïsche gedachten, op verre na de voorrang toekomt. De Hollandsche Spectator, daar hy de poëeten over het geheel met de koordedanssers vergelykt, is ten eenemaale van myn gevoelen. Dus spreekt hy : ‘Met grooter verwondering beschouwt men een' dansser, die op een smal touw zyn lugtigheid en door de kunst geregelde gaauwigheid, zo veel 't mogelyk is, doet gelden, als een ander die eene gansche zaal of een geheel theater tot zyn dienst heeft, om zyn passen en sprongen te varieeren. Kan men met waarheid zeggen, dat de beweegingen van den eersten |
213 Magito en St. Léger:
Christiaen Magito was een Haagse koorddanser in het begin van de 18e eeuw;
Saint Léger was de eerste danser van de Amsterdamse schouwburg in de
jaren 1761-1769 (Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg
1496-1772, p. 205).
|
|
fraijer, bevalliger en behaagelyker, in zich zelve ingezien, moet geschat worden? Geenszins. Maar ze zyn van eene bezwaarlyker uitvoering. 't Is het denkbeeld van een enge koort, vereenigt met dat van zyne sprongen, 't welk de groote oorzaak is van onze verbaastheid’ (Deel III, bl. 206) 214 . En Horatius zelf een' kunstig' vaerzenmaaker beschryvende, zegt: ‘dat zodanig een poëet bekwaam is, om op een uitgespannen touw heen en weder te wandelen:
M. Bode zingt derhalve
want door den dichter kan hier niets anders dan de vaerzenmaaker verstaan worden. |
214 De Hollandsche Spectator, III, p. 206
(anders: ‘In 't gemeen beschouwt men met grooter verwondering’,
‘moeten’ in plaats van ‘moet’).
215 Horatius: Epistularum Liber II, v.
210-211.
216 M. Bode (plm. 1675-). Twaalf gedichten van
hem zijn opgenomen in de Nieuwe verzameling der Nederduitsche
Mengelgedichten (geringe wijzigingen).
|